Nieuwe wetgeving voor 2014

Nieuwe Consumentenwetgeving gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad

Het nieuwe jaar is nog maar net begonnen en één van de belangrijkste wijzigingen op juridisch vlak voor online ondernemers voor 2014 kondigt zich al aan.  In het Belgisch Staatsblad is immers op 30 december nog net op de valreep het nieuwe Boek VI van het Wetboek Economisch Recht gepubliceerd.  Dit nieuwe Boek VI vervangt in de loop van 2014, wellicht eind juni 2014, de huidige Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming.  Ze is de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn Consumentenrechten (RL 2001/83/EU), die moet zorgen voor een geharmoniseerde wetgeving doorheen de Europese Unie voor consumentenbescherming bij –vooral- verkoop op afstand en dus e-commerce.

Wat verandert er?

De nieuwe wet (of het nieuwe wetboek) is vooral een onderdeel van het systematiseren en samenbrengen van alle wettelijke regels in het handelsrecht in één groot Wetboek Economisch Recht.  Alle wetgeving die het economisch leven regelt zal op die manier in de toekomst in één wetboek terug te vinden zijn.

Bij deze gelegenheid wordt echter gelijk ook de Richtlijn Consumentenrechten omgezet in Belgisch recht en worden een reeks nieuwe regels ingevoerd die vooral voor verkoop op afstand van belang zijn.

Daarnaast probeert de overheid ook bij dezelfde gelegenheid de al enkele jaren durende juridische discussie rond de sperperiode en rond verkopen met verlies de wereld uit te helpen en de soldenwetgeving voor de toekomst toch nog nieuw leven in te blazen.

Een uitgebreidere bespreking van deze wijzigingen leest u hier.

Bart Van den Brande

 

Nieuwe Auteurswet

In de loop van 2014 wordt de Belgische auteurswet geïntegreerd in het nieuwe “Wetboek van Economisch Recht.” Auteursrechten en naburige rechten worden dan voortaan geregeld onder Titel 5 van Boek XI (“Intellectuele Eigendom”) van dit nieuwe wetboek. De bedoeling van de overheid is om alle federale economische wetgeving in één enkel wetboek onder te brengen en zo de transparantie van de wetgeving te verhogen.

Het “Boek” rond Intellectuele Rechten werd reeds in juli 2013 als een voorontwerp van wet door de federale regering goedgekeurd. Het is voorlopig nog wachten op een effectieve omzetting van het voorontwerp door het parlement. In september 2013 gaf de Raad voor de Intellectuele Eigendom nog een advies over het voorontwerp, dat in bepaalde opzichten niet mals was voor de tekst die de regering voorstelde. De Raad betreurde onder meer dat de regering niet van de gelegenheid gebruik gemaakt had om het vrij ingewikkelde stelsel van uitzonderingen op het auteursrecht te moderniseren.

Voor het auteursrecht gaat het in eerste instantie om een formele inpassing van de oude artikelen in het nieuwe wetboek. Toch zijn er een aantal inhoudelijke wijzigingen aan het auteursrecht die vrij substantieel zijn. Deze beogen vooral om het collectief beheer van auteursrechten (en naburige rechten) transparanter te maken. We sommen de voornaamste wijzigingen hieronder even op.

Controle op de beheervennootschappen: het wetsontwerp voorziet een grotere controle op de beheersvennootschappen zoals SABAM, SIMIM, Reprobel, SACD of Playright, onder meer door de oprichting van een regulator voor de intellectuele eigendom onder toezicht van de FOD Economie. De taak van de nieuwe regulator zal erin bestaan te checken dat de innings-, tariferings-, en verdelingsregels van de beheersvennootschappen billijk zijn en niet discriminatoir. De regulator zal de bevoegdheid hebben om administratieve geldboetes op te leggen in geval van overtreding (er is wel nogal wat onduidelijkheid rond de criteria die de regulator zal gebruiken).

Voorts worden de beheersvennootschappen ook verplicht om hun tariferings-, innings- en verdelingsregels, alsook haar kostenpercentage op hun websites te publiceren. Het kostenpercentage zal nog slechts maximum 15% van de geïnde auteursrechten mogen bedragen. Ook voorziet het voorontwerp van wet in een horizontale vastlegging van bepaalde tarieven (zoals de verdeelsleutels van de billijke vergoeding, de vergoeding voor kopiëren voor eigen gebruik, voor reprografie, digitale kopie onderwijs en wetenschappelijk onderzoek). Deze worden voortaan van dwingend recht en de partijen kunnen er bij overeenkomst niet van afwijken. Het voorontwerp van wet voorziet verder nog dat de beheersvennootschappen “efficiënte en snelle procedures” moeten uitwerken voor het behandelen van klachten van gebruikers (mét motiveringsplicht).

Invoering van een uniek loket voor de inning en betaling van verschillende rechten zoals exclusieve rechten (auteursrechten en naburige rechten), vergoedingsrechten, wettelijke licenties, enz. Deze eengemaakte inning zou er moeten komen vanaf 1 januari 2015 en zou ook gelden voor het afspelen van muziek in ondernemingen. Dit zou moeten leiden tot een vereenvoudigde aangifte en betaling van auteursrechtelijke vergoedingen.

Vermoeden van overdracht van rechten: de huidige auteurswet voorziet dat wie meewerkt aan een film of aan een ander audiovisueel werk vermoed wordt zijn of haar rechten over te dragen aan de producent. Op die manier wordt er vermeden dat er een kluwen aan rechten en blokkeringsmogelijkheden ontstaat waardoor een audiovisueel werk praktisch gezien niet geëxploiteerd kan worden. De huidige wet voorziet een uitzondering op deze regel voor de auteurs van muziekwerken. Dit houdt in dat voor muziekwerken er toch een aparte vergoeding moet worden betaald aan de auteurs via hun beheersvennootschappen. In het voorontwerp van wet worden een aantal nieuwe uitzonderingen voorzien, met name voor de hoofdregisseur, de scenarioschrijver en de tekstschrijver. Dit betekent dat er bij een publieke vertoning van een film of een ander audiovisueel werk voortaan meer aparte rechten zullen moeten betaald worden.

Voorts worden nog enkele aanpassingen voorzien voor de leenrechtvergoeding; voor de zogenaamde ‘orphan works’ (werken waarvan men de rechthebbende niet terugvindt); voor uitvoeringen in het kader van schoolactiviteiten en in de familiekring; voor kabeldoorgifte (rechten van auteurs en uitvoerende kunstenaars bij doorgifte via de kabel); etc.

De beheersvennootschappen zijn over het algemeen niet bijzonder blij met dit voorontwerp van wet, al wordt in de pers het standpunt van vele beheersvennootschappen niet steeds correct weergegeven. Zo zijn vele beheersvennootschappen in principe niet gekant tegen de verplichte openbaarmaking van hun kostenpercentages (ze zijn veeleer gekant tegen de concrete uitvoering van dit principe in de tekst van het voorontwerp). Vooral de nieuwe regulator lijkt veel tegenkanting op te roepen bij de beheersvennootschappen. Andere organisaties, waaronder Unizo, staan meer open ten opzichte van de veranderingen en hopen op een positief effect voor hun leden (vooral het unieke loket voor de inning en betaling van auteursrechtelijk vergoedingen roep hoge verwachtingen op). Het valt af te wachten hoe het parlement het voorontwerp van wet van de regering in een wettekst zal omzetten (en of dit nog voor de verkiezingen kan gebeuren). Wij houden u in elk geval op de hoogte van verdere ontwikkelingen op dit vlak.

Bart Van Besien

 

Eenheidsstatuut in werking sinds 1 januari 2014

Vanaf 1 januari 2014 treedt het langverwachte ‘eenheidsstatuut’ in werking, dat een einde moet stellen aan de veelbesproken discriminatie tussen arbeiders en bedienden. Deze nieuwe wet zal een grote impact hebben zowel op ingaande als op lopende arbeidsovereenkomsten, waarbij vooral de eenmaking en wijziging van de opzegtermijnen in het oog springt.

De nieuwe regeling berekent de opzegtermijnen de eerste twee jaren per kwartaal en in deze periode stijgen deze verhoudingsgewijze zeer snel, zodat een werknemer na twee jaar een opzegtermijn van 11 weken heeft opgebouwd. Van het tweede tot het vierde jaar vertraagt de toename beduidend, om vanaf het vijfde jaar ieder jaar met 3 weken toe te nemen. Deze wijziging leidt vooral voor de arbeiders tot een verhoging van hun opzegtermijn, terwijl dit voor de hogere bedienden een verlaging inhoudt. Werkgevers zullen dus rekening moeten houden met deze nieuwe regels en dienen hun arbeidsreglementen in die zin aan te passen.

Daarnaast wordt onder meer ook de carensdag en de proeftijd afgeschaft en wordt de verplichting tot aanbieding van outplacement uitgebreid.

Hoewel de verschillen tussen arbeiders en bedienden dus bijna volledig worden weggewerkt, is het nieuwe ‘’eenheidsstatuut” echter nog niet volledig gelijk. Zo is er onder meer een overgangsregeling  mogelijk gedurende vier jaar voor onder meer de bouw –en textielsector.

Tim Treunen

 

Europees privacyrecht in de steigers

Ons privéleven en persoonsgegevens komen meer en meer onder druk te staan. We worden her en der gefilmd, gescreend en geregistreerd. Door de recente technologische evoluties voldoen de huidige privacyregels niet meer. De Europese privacyrichtlijn 95/46/EG lijkt niet te kunnen zorgen voor een afdoende harmonisatie en de huidige wetgeving biedt onvoldoende antwoorden op nieuwe technologieën zoals clouddiensten.

Brussel besefte dit ook en werkt reeds enkele jaren aan een nieuw wettelijk kader voor de bescherming van privacy in Europa. De Europese Commissie heeft daartoe een voorstel uitgewerkt en in januari 2012 gepubliceerd. Daarop werden niet minder dan 3.133 amendementen voorgesteld, hetgeen wijst op een sterke lobbyaanwezigheid. Tenslotte heeft de LIBE commissie van het Europees Parlement gestemd op 21 oktober van vorig jaar.

De premissen van de nieuwe privacyregels zijn een verregaande harmonisatie binnen de Europese Unie, een versterking van de bescherming van de betrokkenen, administratieve vereenvoudiging en sterke tanden om het geheel afdwingbaar te maken.

Het voorstel van verordening in zijn huidige vorm voorziet in een uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene om tot verwerking van persoonsgegevens te kunnen overgaan; een opt-out is dus niet meer voldoende. Voor minderjarigen vanaf 13 jaar moet die uitdrukkelijke toestemming van de ouders of voogd komen.

De verordening legt ook regelmatig de nadruk op transparantie, duidelijkheid en informatieverstrekking. Ook beveiliging van de informaticasystemen waar de persoonsgegevens op bewaard worden, wordt sterk beklemtoond.

Nieuw is het concept van het “recht op uitwissing”. Dit recht gaat verder dan het huidige recht op verwijdering van gegevens en legt tevens te verplichting op aan de verantwoordelijke voor de verwerking om ook alle derden die bij de verwerking betrokken werden, op de hoogte te brengen van de verwijdering.

Ook nieuw is de invoering van een “privacyfunctionaris” die moet toezien op de nakoming van de privacyregels binnen de onderneming. Het aanstellen van een dergelijke functionaris is verplicht voor overheden en grote ondernemingen, maar kan ook verplicht zijn voor kleine bedrijven die aan “omvangrijke” gegevensverwerking doen – en dat kan al vanaf 5000 verwerkingen per jaar.

Verder wordt ook profiling en het verwerken van pseudonieme gegevens geregeld. Er komt een “Data Protection Seal” voor de ondernemingen die zich keurig aan de regels houden. En het toezicht op dit alles zal worden geconcentreerd op Europees niveau. Tenslotte wordt de mogelijkheid ingebouwd om fikse boetes op te leggen bij overtreding. Het ontwerp spreekt van maxima tot 5% van de wereldwijde omzet.

Als harmonisatiemaatregel leek een richtlijn voor Europa niet meer afdoende en werd ervoor gekozen om de nieuwe privacybepalingen in een verordening te gieten. Dat betekent dat de lidstaten geen omzetting meer moeten doen naar intern recht en dat alle bepalingen onverkort van toepassing zullen zijn over het ganse territorium van de Europese Unie.

Dat laatste vormt een probleem, want voor bepaalde EU lidstaten is de ontwerpverordening te streng, terwijl het voor anderen juist niet ver genoeg gaat. Ook de Belgische Privacycommissie heeft grote bezorgdheden geuit omtrent het voorstel van verordening en stuurt erop aan om geen overhaaste beslissingen te nemen omtrent een verordening die mogelijks een grote impact zal hebben op het bedrijfsleven. Het water lijkt voor bepaalde lidstaten bijzonder diep.

De Raad van Ministers heeft dan ook aangestuurd op uitstel. Of de verordening nog in 2014 het levenslicht zal zien, is sterk betwijfelbaar. De gekoesterde ambitie om de verordening er voor de verkiezingsperiode in 2014 nog door te krijgen is alleszins bekoeld.

Andries Hofkens.

 

Class action suite

Consumenten kunnen binnenkort in groep naar de rechter stappen om een schadevergoeding te eisen. De rechter beslist of de groep wordt samengesteld uit alle consumenten die uitdrukkelijk hebben gekozen om deel uit te maken van de groep (opt-in) of uit alle consumenten die daar niet uitdrukkelijk voor hebben gekozen (opt-out). Indien er lichamelijke schade mee gemoeid is, zal het altijd om opt-in gaan.

De procedure voorziet in een verplichte minnelijke fase, nadat de rechter de zaak ontvankelijk heeft verklaard. Die duurt tussen drie en zes maanden – en kan eenmaal worden verlengd – en dient om tot een akkoord te komen. Indien dat lukt, zal de rechter dat akkoord homologeren. Zo niet volgt een beslissing ten gronde door de rechter.

Mensen moeten nu nog een voor een naar de rechtbank gaan. En als dat over relatief kleine bedragen gaat, 10, 20, 30 euro, dan kost dat te veel, waardoor mensen van hun recht afzien. Dat zou in de toekomst dus veranderen.  Vreemd genoeg en tot ongenoegen van onze beroepsorde kunnen in de eerste ontwerpen alleen erkende consumentenorganisaties (Test-Aankoop, Gezinsbond, ziekenfondsen) zonder winstbejag die al drie jaar bestaan optreden voor de gedupeerden. Advocaten kunnen dat niet doen omdat de bevoegde minister “geen schademarkt wil creëren”.  Dat die beroepsorganisaties niet de nodige juridische knowhow en ervaring in huis hebben om een juridische procedure tot een goed eind te brengen, is voor de minister vooralsnog van ondergeschikt belang.  We gaan er van uit dat een en ander in de toekomst wel bijgestuurd zal worden.

De ministerraad keurde de tekst inmiddels goed en de parlementaire behandeling volgt in de eerste helft van 2014.

Te noteren valt dat de procedure enkel zal kunnen worden ingesteld voor collectieve schade die werd geleden na de inwerkingtreding van de wet. De Brusselse rechtbank zal als enige bevoegd zijn.

Bart Van den Brande

 

Het Europees eenheidsoctrooi

In 2014 komt er vermoedelijk ook schot in het dossier van het ééngemaakte Europees octrooi (of patent). Met het Europees eenheidsoctrooi wordt het voor innovatieve bedrijven een stuk makkelijker om een octrooibescherming te krijgen in 25 lidstaten van de Europese Unie (Italië, Spanje en Kroatië doen voorlopig niet mee). In de praktijk komt dit neer op minder administratieve rompslomp en minder kosten.

Met één enkele octrooi-aanvraag kan je dan bescherming krijgen in alle 25 lidstaten, zonder dat je het octrooi nadien in de verschillende landen moet valideren.  In het verleden bleken de validerings- en vertalingskosten een serieuze domper te zetten op een efficiënte werking van de octrooibescherming in Europa.

De kosten voor het bekomen van een Europees eenheidsoctrooi worden door de EU-instanties geraamd op 6500 Euro. Dit dekt de procedurekosten en vertalingskosten om een eenheidsoctrooi aan te vragen. Dit bedrag is een zeer redelijk bedrag, zeker in vergelijking met de kosten die je vandaag betaalt voor het verkrijgen van een octrooi in de verschillende EU lidstaten. Je moet hier wel nog de kosten bijrekenen die je aan adviesverleners betaalt, zoals advocaten en consultants.

Er wordt ook een ééngemaakt octrooigerecht of “Unified Patent Court” opgericht dat zal oordelen over mogelijke betwistingen rond het Europees eenheidsoctrooi. Dit betekent dat er – althans op termijn – een einde komt aan situaties waar in verschillende landen processen gevoerd werden rond dezelfde of gelijkaardige octrooien. Dit gaf in het verleden soms aanleiding tot tegenstrijdige beslissingen naargelang het land waar de uitspraak werd gedaan. 

 De Europese Unie hoopt dat het eenheidsoctrooi een boost zal geven aan de innovatie in Europa. De gecentraliseerde octrooi-applicatie en de verminderde kosten zullen het hopelijk ook voor kleinere bedrijven en KMO’s interessanter maken om een octrooibescherming aan te vragen die dekking geeft in de 25 landen die deelnemen aan het Europees eenheidsoctrooi.

Het is voorlopig nog niet helemaal duidelijk wanneer het Europees eenheidsoctrooi precies inwerking zal treden. Daarvoor moet eerst de “Overeenkomst over het Eéngemaakt Octrooirecht” goedgekeurd worden. Voorlopig heeft enkel Oostenrijk deze Overeenkomst geratificeerd. Om in werking te treden moeten minstens 13 lidstaten – waaronder Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk – de Overeenkomst goedkeuren. Er wordt algemeen verwacht dat dit in de loop van 2014 zal gebeuren. Ook de Belgische regering heeft intussen een voorontwerp van wet tot ratificatie van de Overeenkomst over het ééngemaakt octrooirecht goedgekeurd. Dit voorontwerp moet nu nog door het parlement gestemd worden. Hopelijk kan dit vrij snel gebeuren en wordt dit niet uitgesteld tot na de verkiezingen. België heeft immers geen al te beste reputatie op het vlak van het tijdig omzetten van Europese wetgeving, en het zou een mooi signaal zijn mocht België zich nu in de kijker werken als een land dat Europese wetgeving ter promotie van innovatie tijdig ratificeert.

Wij houden u in ieder geval op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen op het vlak van het Europees eenheidsoctrooi en van alle andere relevante juridische nieuwtjes in 2014.

Bart Van Besien

 

Newsletter subscription

Recent tweets: