Blog Fiscaal

21.02.2017 Bart Van den Brande

Fiscaal voordeel voor “innovatieaftrek” bij software development

De federale overheid ziet in België een draaischijf voor de ontwikkeling van intellectuele eigendom.  Octrooien, kwekersrechten, software development, … voor allemaal moet België een aantrekkelijke uitvalbasis vormen in de toekomst.  Om die reden wordt hard gewerkt aan enkele wettelijke en fiscale hervormingen die de ontwikkeling van onder meer nieuwe software moet bevorderen. 

Vandaag kennen vennootschappen al een belastingvrijstelling ten belope van 80% voor inkomsten uit de verkoop of licentie van gepatenteerde producten of procedés. Belangrijke voorwaarde bij deze ‘oude’ octrooiaftrek is dat een goedgekeurd octrooi moet worden voorgelegd. Hierdoor vallen een aantal belangrijke intellectuele eigendomsrechten uit de boot, zoals in veel gevallen ook software. Ook de lange wachttijd om een octrooi te laten goedkeuren blijkt vaak een pijnpunt.

Om hieraan te verhelpen werd begin dit jaar nu ook een nieuw fiscaal voordeel (“innovatieaftrek”) ingevoerd dat van toepassing is specifiek op de ontwikkeling van software.   Het nieuwe voordeel komt bovenop de toch al erg gunstige fiscale behandeling van royalties uit auteursrechten waarvan onder meer software developers al enkele jaren kunnen genieten.

 

Wat houdt dit nieuwe fiscale voordeel in?

De innovatieaftrek laat aan bedrijven toe om de innovatie-inkomsten op hun software ten belope van maximaal 85% (ipv de 80% die geldt bij octrooien) in aftrek te brengen en aldus de belastingdruk op hun inkomsten uit de ontwikkeling van software de facto terug te brengen tot +/- 5%.  Bedragen die de 85% overschrijden kunnen overgedragen worden naar een volgend jaar.

Het is bij dit alles niet langer nodig om een onderzoekscentrum in België te hebben, ook het land waar de octrooibescherming wordt bekomen, is in de toekomst minder belangrijk.

Voor ondernemingen die de huidige octrooiaftrek al toepassen, is een overgangsregeling voorzien tot 2021. In die periode kunnen ondernemingen kiezen en afwegen welke aftrek in de praktijk het voordeligst is voor hen.

 

Wat zijn “innovatie-inkomsten”?

Als “innovatie-inkomsten worden in aanmerking genomen alle in België belastbare inkomsten uit licenties, inkomsten uit schadevergoedingen voor inbreuken op het auteursrecht en softwarebeschermingsrecht en meerwaarden uit de overdracht of cessie van auteursrechten.

De innovatieaftrek zal enkel toegepast kunnen worden op de netto-inkomsten na aftrek van uitgaven die rechtstreeks en uitsluitend betrekking hebben op het intellectueel eigendomsrecht. Ondernemingen die verschillende R&D projecten hebben lopen of die werken aan “gemengde” projecten die slechts deels uit software development bestaan, moeten dus een en ander correct kunnen uitsplitsen.

 

Op welke software geldt de aftrek?

De innovatie-aftrek geldt voor nieuw ontwikkelde software die beschermbaar is door het auteursrecht en het softwarebeschermingsrecht (en die dus voldoende “origineel” is) en die als noodzakelijke voorwaarde moet voortvloeien uit een onderzoeks- of ontwikkelingsprogramma binnen het bedrijf.  De software mag bovendien geen inkomsten gegenereerd hebben voor 1 juli 2016.  Ook bewerkingen of adapties van bestaande software kunnen overigens in aanmerking komen.

Ondernemingen kunnen op deze manier gebruik maken van een aanzienlijk belastingvoordeel voor licentievergoedingen en verkopen van nieuwe software. Maar ook bedrijven die voor interne gebruik computerprogramma’s ontwikkelen kunnen voortaan gebruik maken van de belastingvrijstelling. In dat geval zal een ‘fictieve’ licentievergoeding berekend moeten worden, alsof de software in licentie zou zijn gegeven aan derden.

 

Beperking van de aftrek

Het belastingvoordeel is weliswaar beperkt overeenkomstig de BEPS (Base Erosion Profit Shifting) regels van de EU.

Enkel de eigen ontwikkeling door het bedrijf kan in aftrek genomen worden.  Dit noemt men de ‘Nexus’ berekening.  Het gevolg hiervan is dat een Belgische vennootschap niet louter gebruikt kan worden als ‘doorgeefluik’ zonder eigen R&D activiteit te ontwikkelen.

Vennootschap die intellectuele eigendom (deels) hebben ingekocht of het onderzoek hebben uitbesteed aan een verbonden vennootschap in een ander land, kunnen op dat ingekochte of uitbestede deel de fiscale aftrek dus niet gebruiken.

Het blijft om die reden van het grootste belang om de innovatieve activiteiten binnen een groep fiscaal optimaal te structuren, met daarbij de nodige aandacht voor transfer pricing.

 

Blijft bestaan: het fiscaal voordeelregime voor inkomsten uit auteursrechten

Naast bovenstaande nieuwe regels, kunnen fysieke personen (niet vennootschappen, maar wel hun aandeelhouders of bestuurders en zaakvoerders) al enkele jaren genieten van een érg interessante fiscale behandeling van inkomen dat zij ontvangen als vergoeding of royalities voor licenties of verkoop van software.

Fysieke personen die software ontwikkelen en deze commercialiseren via een vennootschap kunnen zo voor een bedrag van om en bij de 56.000 euro per jaar aan royalities uitkeren, belast aan een vaste bevrijdende roerende voorheffing van 25%.  Aangezien de wet ook voorziet in aanzienlijke forfaitaire kostenaftrekken die eerst in aanmerking genomen kunnen worden, is de netto belastingdruk op inkomsten uit royalties voor de fysieke personen achter een vennootschap in se beperkt tot 7 à 8%.

De combinatie van beide regelgevingen zorgt ervoor dat zowel vennootschap als aandeelhouder/zaakvoerder een erg gunstig fiscaal regime kunnen genieten op de commercialisering van (nieuwe software).

 

Vragen over softwarebescherming en licenties in het algemeen of de toepassing van de innovatie-aftrek en het royalties regime in het bijzonder?

Bart Van den Brande en de rest van ons team staan graag vrijblijvend tot uw beschikking op bart@siriuslegal.be of 0032 486 901 931

05.11.2014 Bart Van den Brande

Hof van Cassatie kwalificeert de vergoeding voor overdracht auteursrechten als loon: sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd

Op 15 september 2014 velde het Hof van Cassatie een belangrijk arrest inzake auteursrechten. De beslissing stelt een einde aan de betwisting over het karakter van de vergoeding die door de werkgever wordt toegekend aan de werknemer in ruil voor de overdracht van vermogensrechten op de door die laatste gecreëerde werken. Een deel van de vergoeding die betaald wordt voor creatieve scheppingen kan immers uitbetaald worden als auteursrechten, waardoor men onderworpen is aan een voordelige roerende voorheffing.

 

Auteursrecht binnen de arbeidsovereenkomst

Overeenkomstig de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten komt auteursrecht toe aan elke auteur van een werk van letterkunde of kunst. Door de ruime omschrijving kan het gaan om schrijvers, kunstenaars, schilders, beeldhouwers, designers en zelfs om bijvoorbeeld journalisten en copywriters.

Ook wanneer de auteur zijn werken tot stand brengt in het kader van een arbeidsovereenkomst behoren de vermogensrechten toe aan hem en niet aan zijn werkgever. De werknemer kan deze vermogensrechten wel aan zijn werkgever overdragen voor zover zijn creatie binnen het kader van de arbeidsovereenkomst valt.

 

Overdracht van auteursrechten

Die overdracht van vermogensrechten is interessant op twee vlakken. Het gedeeltelijk uitbetalen van de werknemer in de vorm van een vergoeding voor de overdracht van auteursrechten kan meer bepaald worden gezien als een voordelig verloningsmiddel.

Enerzijds zijn sinds de wet van 30 juli 2008 inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten (de definitieve of tijdelijke overdracht van auteursrechten) onderworpen aan een voordelige roerende voorheffing van 15%. Deze inkomsten worden beschouwd als een roerend inkomen in de zin van artikel 17, §1, 5° WIB 92. Dit betekent dat de “auteur” die in auteursrecht betaald wordt, potentieel een erg interessant belastingvoordeel kan genieten.

Anderzijds werd verdedigd dat dergelijke vergoedingen in het kader van een arbeidsovereenkomst niet onderworpen zijn aan sociale zekerheidsbijdragen. Omdat de vergoeding niet wordt toegekend ingevolge de dienstbetrekking zelf, zou deze niet als loon kunnen worden beschouwd.

 

Kwalificatie als loon door het Hof van Cassatie

Het is precies die laatste redenering die het Hof van Cassatie onderuit haalt in haar arrest van 15 september 2014. In deze zaak vorderde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid sociale zekerheidsbijdragen op de vergoeding van een muziekgezelschap aan haar werknemers-muzikanten voor de overdracht van de vermogensrechten op hun creaties. Het Hof kwalificeert deze vergoeding als loon

“(…) volgt dat de vergoeding (…) een tegenprestatie is voor de overdracht van rechten met betrekking tot een in uitvoering van de arbeidsovereenkomst geleverde prestatie. Die vergoeding is bijgevolg, in de regel, een voordeel waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van zijn werkgever en maakt aldus deel uit van het loon op basis waarvan sociale zekerheidsbijdragen berekend worden.”

Sommige commentatoren benadrukken dat het arrest enkel de situatie van uitvoerende kunstenaars betreft. Aangezien er echter geen grondslag voorhanden is op basis waarvan een onderscheid kan worden gemaakt tussen de categorie van uitvoerende kunstenaars en de categorie van “auteurs” viseert deze uitspraak van het Hof van Cassatie ons inziens ook de vergoeding voor de overdracht van auteursrechten.

 

Is de vergoeding voor auteursrechten nog interessant?

Toch blijft de cessie van auteursrechten door de werknemer aan de werkgever in ruil voor een vergoeding fiscaal interessant. Hoewel deze manier van verloning geen parafiscaal voordeel m.b.t. sociale zekerheidsbijdragen meer inhoudt, geniet de auteur nog steeds van een fiscaal gunstregime. Zo blijven zijn inkomsten uit de overdracht onderworpen aan de (voordelige) bevrijdende roerende voorheffing van 15%. De uitsplitsing van de verloning van de werknemer in een loon en een vergoeding voor auteursrechten is dus nog steeds een nuttig instrument.

Een uitgebreid artikel van Bart Van den Brande over de vergoeding van werknemers in auteursrechten vind je hier.

 

Nog vragen over auteursrecht?

Bel of mail gerust met Bart Van den Brande op bart@siriuslegal.be of +32 492 249 516 of boek hier meteen een vrijblijvend online kennismakingsgesprek in met Bart via Google Meet of Zoom.

27.04.2012 Bart Van den Brande

De Nieuwe Anti-Misbruik Bepaling

Het nieuwe artikel 334, §1 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB/92) is er. Deze moet de vorige versie vervangen, die in zeer vele gevallen niet bruikbaar bleek. De grootste kritiek op de oude regeling was dat de herkwalificatie van een akte, of meerdere akten als tot gelijksoortige rechtsgevolgen aanleiding diende te geven. In de praktijk bleek dit schier onmogelijk, aan één akte kan je meestal maar één kwalificatie toekennen. Dit blijkt het best uit volgend voorbeeld: een vruchtgebruik is een zakelijk recht en kan bezwaarlijk geherkwalificeerd worden in een huur, wat geen zakelijk recht is.

Het nieuwe artikel 344,§1 WIB/92 luidt nu als volgt:

Ҥ 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1. Een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of

2. Een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.

Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.

Ook de registratie- en successierechten krijgen een nagenoeg identieke bepaling. Op het gebied van de registratie- en successierechten wordt een op enkele details na, een identieke regeling ingevoerd (art. 18, § 2 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, dat via verwijzing in art. 106 van het Wetboek van successierechten eveneens in het kader van de successierechten van toepassing is). Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de nieuwe bepaling niet alleen in de economische sfeer van toepassing is, doch ook in de privésfeer.

 

Welke wijzigingen?

Er wordt niet langer de niet-tegenstelbaarheid van de ‘juridische kwalificatie’ die aan een ‘akte’ gegeven wordt beoogd, doch de niet-tegenstelbaarheid dient te slaan op de rechtshandeling zelf, of op het geheel van rechtshandelingen.

Dit heeft te maken met de rechtspraak van het Hof van Cassatie die vereist dat de nieuwe kwalificatie ‘gelijksoortige’ gevolgen heeft. Uit de praktijk is gebleken dat het bijna onmogelijk is om bij een herkwalificatie tot gelijksoortige rechtsgevolgen te komen indien de verrichting tot stand is gekomen middels één akte. “Aan één akte kan immers zelden meer dan één kwalificatie worden gegeven”. Om dit probleem voortaan te vermijden, kiest de regering nu voor een ‘niet-tegenstelbaarheid’ van de ‘rechtshandeling’ zelf.

De rechtshandeling zal niet aan de Administratie tegenstelbaar zijn, als de Administratie op objectieve wijze aantoont dat er sprake is van ‘fiscaal misbruik’. Dit bewijs kan geleverd worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, de eed uitgezonderd. Het bewijs kan dus ook op basis van vermoedens geleverd worden. Volgens het ontwerp van memorie van toelichting veronderstelt dit “dat de Administratie vanuit feiten die zij als voldoende rechtsgeldig vaststelt, het onbekende feit zal vaststellen dat ze moet bewijzen, te weten de totstandkoming van een verrichting tot vernietiging van de belasting”.

Nog volgens het ontwerp van memorie van toelichting beoogt het “begrip ‘geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt’ eveneens de kunstmatige opsplitsing van een verrichting in opeenvolgende akten die op een langere periode dan een aanslagjaar betrekking heeft en dus niet alleen indien zij binnen hetzelfde aanslagjaar vallen”. Als de rechtshandelingen aldus over vele jaren worden gespreid, zal de Administratie toch de antimisbruikbepaling ‘nieuwe stijl’ kunnen toepassen als ze de eenheid van bedoeling tussen de akten aantoont. Daartoe moeten de opeenvolgende handelingen een reeks handelingen zijn die van meet af aan zijn opgevat als behorend tot een ondeelbare keten.

 

Fiscaal Misbruik

In de nieuwe algemene antimisbruikbepaling wordt misbruik gedefinieerd als  “de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen kiest die hem [toelaten] zich in een toestand te plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving”. Dergelijk “handelen kan zich onder twee vormen voordoen : door zijn vormkeuze stelt de belastingplichtige zich buiten de letter van een belasting vermeerderende bepaling of brengt hij zich binnen het toepassingsgebied van een belasting verminderende bepaling”.

Vandaar dat in de voorgestelde wettekst de twee volgende vormen van ‘misbruik’ uitdrukkelijk omschreven worden :

1.  het tot stand brengen van een verrichting waarbij de belastingplichtige “zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van het wetboek inkomstenbelastingen of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst”

2.  het tot stand brengen van een verrichting “waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van het wetboek inkomstenbelastingen of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft”

In beide gevallen dient er dus sprake te zijn vaneen strijdigheid met de ‘doelstellingen’ van de betrokken wetsbepaling. Doel en strekking van de betreffende wetsbepaling moeten “geschonden” zijn, als een bepaalde rechtshandeling niet belast zou worden, of een rechtshandeling ertoe zou leiden dat een bepaald fiscaal voordeel genoten wordt.

Blijft natuurlijk de vraag wat wel of niet het doel en de strekking van de betreffende wetsbepaling is. We kunnen ons voorstellen dat hierover in de rechtspraak nog de nodige discussies zullen volgen.

De  memorie van toelichting lijkt aan de strijdigheid met de “doelstellingen van de fiscale wetgeving” een ruime draagwijdte te willen geven. Hier luidt het, dat deze strijdigheid begrepen moet worden “in het licht van het begrip volstrekt kunstmatige constructie” (zoals dit begrip in de context van de BTW al langer bekend is). Volgens het ontwerp is er sprake van een “volstrekt kunstmatige constructie” wanneer de verrichting “niet de economische doelstellingen onderliggend aan de fiscale wetgeving nastreeft of geen verband houdt met de economische werkelijkheid, of niet aan commerciële of financiële marktvoorwaarden plaatsvindt”. Nog volgens de memorie van toelichting gaat het “met andere woorden om rechtshandelingen die alleen worden uitgevoerd om belastingen te ontwijken”.

 

Het bewijs van het misbruik

Volgens de nieuwe antimisbruikbepaling moet de Administratie “aan de hand van objectieve omstandigheden” en met de bewijsmiddelen die haar fiscaal ter beschikking staan, aantonen “dat er sprake is van fiscaal misbruik”. En is het vervolgens aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zijn keuze verantwoord is “door andere motieven”, zelfs persoonlijke motieven, dan het ontwijken van de belasting. Deze twee onderdelen van de bewijslast, worden enerzijds de ‘objectieve’ en anderzijds de ‘subjectieve’ component genoemd.

Worden geviseerd:

* “rechtshandelingen waarbij de belastingplichtige naar een zuiver fiscaal voordeel [streeft]”;

* “rechtshandelingen waarbij de niet-fiscale motieven in niets specifiek zijn voor de betrokken verrichting, maar integendeel zo algemeen zijn dat ze noodzakelijkerwijs aanwezig zijn bij elke verrichting van hetzelfde type”

* “rechtshandelingen waar de niet-fiscale motieven weliswaar specifiek zijn voor de betrokken verrichting, maar een dermate beperkt belang hebben dat een redelijk persoon de verrichting niet zou realiseren omwille van dit ‘niet-fiscale’ motief”.

 

Gevolgen

Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, wordt  “de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld, dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.

Vraag die we dan kunnen stellen is of dit herstel wel een sanctie is. Indien de fiscus bepaalde handelingen niet ziet heeft men het belastingvoordeel, ziet ze het wel, ben je nog altijd niet slechter af.

20.04.2012 Bart Van den Brande

De fiscale gevolgen van het aanbieden van spelen en weddenschappen in de media

Gisteren kondigden De Tijd en De Standaard aan dat nagenoeg elk Belgisch mediabedrijf een aanzienlijke aanslag heeft ontvangen m.b.t. de belasting op spelen en weddenschappen op de spelletjes die zij organiseren.

 

Hoe zit deze belasting nu juist in mekaar?

De beginselen van onze belasting op spelen en weddenschappen zijn terug te vinden in de wet van 28 augustus 1921 houdende de invoering van nieuwe fiscale middelen. De belasting op spelen en weddenschappen werd vooral ingevoerd om een extra bron van inkomen te bezorgen aan de Belgische staat en dit hoofdzakelijk door de weddenschappen bij paardenrennen en de casinospelen te belasten.

Anno 2010 diende de wetgever samen met de marktspelers vast te stellen dat de wetgeving niet meer aangepast is aan deze tijd en vooral niet aan de spelen en weddenschapen die nu via communicatiemiddelen worden aangeboden die in 1921 ondenkbaar waren, denken we maar SMS, internet of zelfs de rode knop van de afstandbediening van het televisietoestel.

De fiscale administratie heeft het dus nodig geacht de lacunes en onvolkomenheden in de wetgeving aan te vullen en te interpreteren. Dit is gebeurd in de circulaire nr. E.T. 109.696 dd. 12.11.2009 wat betreft de BTW en de circulaire nr. IR/IV-4/91.638 dd. 10.11.2009 wat betreft de belasting op spelen en weddenschappen.

 

Dubbele belasting

Wat was nu juist het probleem. Stel ik neem via sms deel aan een spel waarmee ik een prijs kan winnen. Ik zal op mijn factuur van de telecomoperator de prijs voor de deelname vinden, waarop BTW aan het gewone tarief van 21% word aangerekend. Als we dit in detail gaan bekijken merken we dat dit niet correct is. Artikel 44, §3, 13° W. BTW stelt de weddenschappen, loterijen en andere kansspelen immers vrij van BTW. Artikel 43 van het wetboek van de met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen (W.I.G.B). onderwerpt de spelen en weddenschappen net aan de belasting op spelen en weddenschappen. Het gevolg van dit alles is dat er een dubbele belasting werd geheven (btw heffing op een som die reeds onderworpen was aan de belasting op spelen en weddenschappen).

Daarnaast diende opgemerkt te worden dat de facturatiestroom niet langer de juridische verhouding tussen partijen weergaf, doch meer de financiële verhouding tussen partijen.

Partijen in deze zijn:

 de consument: hij die deelneemt aan het spel
 de telecomoperator
 de facilitator: de tussenpersoon die zijn infrastructuur ter beschikking stelt voor het beheer en de afhandeling van de communicatie
 de organisator of content provider: hij die daadwerkelijk het spel organiseert of de inhoud ervan aanlevert.

Vanuit het standpunt van de consument lijkt het alsof de telecomoperator de content provider is, wat helemaal zo niet hoeft te zijn.

De facilitator als tussenpersoon factureert aan de telecomoperator het bedrag dat hij aanrekent voor zijn diensten, terwijl hij zijn diensten echter verstrekt aan de content provider.

De “BTW circulaire” – Circulaire nr. E.T. 109.696 dd. 12.11.2009

De BTW circulaire legt eerst en vooral een omdraaiing van de facturatiestroom op.

De telecomoperatoren worden vervolgens verzocht om voortaan enkel en alleen de meerkost die zij eventueel aanrekenen aan de speler boven de prijs van de content te factureren met BTW. Het bedrag van de content dat door de telecomoperator geïnd wordt voor rekening van de content provider wordt nog echter afzonderlijk vermeld op de factuur (“below the line”).

De “Circulaire op spelen en weddenschappen” – de circulaire nr. IR/IV-4/91.638 dd. 10.11.2009

Het artikel 43 van het W.I.G.B. bepaalt dat de belasting geheven wordt op het “brutobedrag van de sommen ingezet”. Wat is nu juist dit brutobedrag? In een casino is dit duidelijk, bij de paardenrennen ook. Het wordt al veel minder duidelijk als ik een “inzet” plaats via sms. Wat is dan mijn inzet? De totale kostprijs van de sms of de prijs van de sms minus de kost van de telecommunicatie?

De Circulaire op spelen en weddenschappen probeert hier een antwoord op te geven. Het antwoord is meteen duidelijk. Onder het brutobedrag dient begrepen te worden in zijn meest ruime betekenis, namelijk de sommen die door spelers worden gewaagd als de sommen die ze uitgeven om er aan deel te nemen.

Een simpele toepassing van dit principe gaf in het verleden eveneens aanleiding tot dubbele belasting. De telecommunicatiedienst is onderworpen aan een BTW-tarief van 21%. Indien dit bedrag deel uitmaakt van de inzet zal hier nogmaals de belasting op spelen en weddenschappen dienen geheven te worden.

De Circulaire op spelen en weddenschappen stelt nu duidelijk dat de “meerkost” van de telecommunicatie, zijnde het bedrag dat lastens de deelnemer wordt aangerekend door de telecomoperator als telecommunicatiekost afgetrokken mag worden ter berekening van de belastbare basis voor de belasting op spelen en weddenschappen. Deze meerkost verschijnt “above the line” op de factuur die de consument ontvangt van de telecomoperator.

Wat indien deze meerkost door de telecomoperator niet aan de speler, doch aan de facilitator of aan de organisator van het spel aangerekend wordt? Dit blijft ook vandaag nog onduidelijk; het zou zeker wenselijk zijn dat in dat geval de administratie eveneens de aftrek van een bepaald (eventueel forfaitair vastgesteld) bedrag aanvaardt voor de berekening van de belastbare basis.

Daarnaast voert de Circulaire op spelen en weddenschappen ook het zogenaamde “serverakkoord” in. Dit serverakkoord moet de administratieve afhandeling aanzienlijk vergemakkelijken. Waar er voorheen een voorafgaande aanvraag diende te gebeuren bij de Gewestelijk directeur en een 2-maandelijkse aangifte en betaling van de verschuldigde belasting alsook het uitreiken van tickets zal het serverakkoord de afzonderlijke aanvraag niet langer noodzakelijk maken en het uitreiken van tickets wordt nu overbodig door een online toegang van de fiscus tot de server van de organisator.

 

Circulaire?

Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat beide circulaires “uitgiftes” zijn van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze circulaires zijn een interpretatie van de fiscale administratie aan het bestaande BTW wetboek en het W.I.G.B.

Daarnaast regelt de Circulaire op de spelen en weddenschappen een gewestmaterie. Sinds de Bijzondere wet van 16 januari 1989 is de belasting op de spelen en weddenschappen een gewestbelasting en zijn het dus de Gewesten die instaan voor de bepaling van de tarieven. Het Waals Gewest echter heeft zelfs verkozen om vanaf 2010 in te staan voor de inning ervan. Vraag rijst in welke mate de Gewestelijke ambtenaren gebonden zijn door een Federale circulaire.

 

Tarieven

De tarieven voor online kansspelen bedragen in Vlaanderen en Wallonië 11% op de brutomarge (inzetten minus uitbetaalde sommen). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen deze 15%.

 

Nog vragen?

Bel of mail gerust met Bart Van den Brande op bart@siriuslegal.be of +32 492 249 516 of boek hier meteen een vrijblijvend online kennismakingsgesprek in met Bart via Google Meet of Zoom.
Partner Sirius Legal

09.03.2012 Bart Van den Brande

Werknemers gedeeltelijk betalen in (fiscaal aantrekkelijke) auteursrechten: de fiscus verduidelijkt

Dit artikel werd gepubliceerd op 21/6/2012, maar werd geactualiseerd op 9/3/2020

Het is inmiddels 12 jaar geleden dat in België een fiscaal aantrekkelijk regime voor auteursrechten werd ingevoerd.  Sedertdien kan een deel van de vergoeding die betaald wordt voor creatieve scheppingen uitbetaald worden als auteursrechten, waardoor deze onderworpen is aan een erg voordelige roerende voorheffing.

Hoewel de regeling inmiddels 12  jaar in werking is, moeten we vaststellen dat enerzijds heel wat (werknemers van) bedrijven die er potentieel hun voordeel mee kunnen doen de regeling niet kennen en dat anderzijds nog steeds een aantal onduidelijkheden blijven bestaan over de precieze draagwijdte van dit fiscale regime.

Een circulaire van de Algemene Administratie Fiscaliteit brengt wat bijkomende verduidelijking over de grenzen van het toelaatbare voor de fiscus.

 

Waarover gaat het precies?

Sinds de wet van 30 juli 2008 zijn inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten (de definitieve of tijdelijke overdracht van auteursrechten) onderworpen aan een roerende voorheffing van 15% in plaats van aan de gewone schalen van de inkomstenbelasting of aan de vaste aanslagvoet voor toevallige inkomsten. Dit betekent dat de “auteur” die in auteursrecht betaald wordt potentieel een erg interessant belastingvoordeel kan doen.

 

Auteursrechtelijke creatie?

Het regime van de roerende voorheffing geldt voor alle natuurlijke personen die auteursrechtelijk beschermde creaties creëren en de rechten daarop tijdelijk of definitief overdragen aan een derde (werkgever, opdrachtgever, …) tegen vergoeding.

Het kan dan natuurlijk gaan om kunstenaars, schrijvers, schilders, beeldhouwers, designers, creatieve beroepen of om bijvoorbeeld journalisten en copywriters.

Maar ook in de IT sector liggen uitgebreide mogelijkheden voor developers van software, apps, games, voor creatieven in de reclamesector, voor heel wat zelfstandige consultants in verschillende sectoren, voor architecten en voor iedereen wiens  wiens creatie voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.

Zodra dit het geval is kunnen zelfstandigen of werknemers in deze beroepscategorieën in plaats van uitsluitend loon of zelfstandige vergoeding te ontvangen van hun werkgever, opdrachtgever of klant, zich gedeeltelijk in auteursrechten laten uitbetalen en aldus genieten van de lage roerende voorheffing van 15%.

 

Welke bedragen komen in aanmerking?

De wet voorziet in jaarlijkse plafonds van bedragen die voor de 15% voorheffing in aanmerking komen.

Het totale maximale bedrag van inkomsten die als auteursrecht kunnen ingebracht worden is (voor 2020 geïndexeerd) 62.090 euro.

De wet staat toe dat van deze bruto-inkomsten de beroepskosten worden afgetrokken om het nettobedrag van de auteursrechtelijke inkomsten te bepalen.  Deze forfaitaire kostenaftrek is als volgt vastgelegd:

  • 50% op de eerste inkomstenschijf van 16.560 euro (voor 2020)
  • 25% op de volgende schijf van 16.500 euro
  • Geen forfaitaire aftrek voor bedragen boven 31.110 euro

Op de overblijvende bedragen is 15% roerende voorheffing verschuldigd (die door de uitbetaler van de rechten vanzelfsprekend dient ingehouden te worden).  Alle bedragen boven de drempel worden belast als beroepsinkomsten of als toevallige inkomsten.

Ter illustratie: wie in 2020 30.000 euro aan auteursrechten verdiende betaalt daarop uiteindelijk 9,18% of 2.754 euro roerende voorheffing (15% op het bedrag na aftrek van beroepskosten).  De gemiddelde aanslagvoet in de inkomstenbelasting is een goede 33% of een verschil van ruw geschat 7.000 euro op de 30.000 euro uit het voorbeeld!

 

Voorzichtigheid is geboden

De wetgever heeft bij dit alles vanaf het begin duidelijk gemaakt dat het niet de bedoeling is dat vergoedingen die vroeger als beroepsinkomsten uitbetaald werden nu plotseling massaal geherkwalificeerd worden als auteursrechten.  Bedrijven, werknemers of zelfstandigen die gebruik willen maken van de regeling dienen dus goed beslagen op het ijs te komen en vooraf de nodige audits te maken van hun situatie en van de mogelijkheid om het systeem op een correcte manier en conform de wet en de vereisten van de fiscale overheden te implementeren.

Niettemin is het in se perfect mogelijk om de hierboven vermelde categorieën van creatieve werknemers of zelfstandigen een aardig en perfect legaal belastingvoordeel te bezorgen.

 

De fiscus verduidelijkt: een uitsplitsing tussen loon en auteursrecht is vereist

Zoals in de inleiding bij dit artikel gezegd werd, is de rechtspraak over toepassingen van deze regeling eerder schaars.  Ook naar circulaires en rulings van de administratie is het lang zoeken.

Eén ruling uit 2009 (ruling 900.053, 10 november 2009) maakte al duidelijk dat als een zelfstandige één globale vergoeding ontvangt voor zijn geleverde diensten, de belastingen ervan uit gaan dat hij géén auteursrechtelijke vergoeding ontvangt en dat hij zijn auteursrechten gratis (of niet?) heeft overgedragen.  Het gevolg is dat de ganse vergoeding dan als beroepsinkomsten beschouwd wordt en het belastingvoordeel voor de zelfstandige in kwestie verloren gaat.

Een recente circulaire van 21 mei 2012 (Ci.RH.231/605.842) bevestigt hetzelfde principe voor werknemers.  De administratie herhaalt eerst nog eens zeer duidelijk dat er sprake moet zijn van een auteursrechtelijk beschermbare schepping én van een duidelijke intentie tot tijdelijke of blijvende overdracht daarvan (cessie of concessie).  Daarna verduidelijkt de administratie dat in elk geval in de arbeidsovereenkomst ook een uitsplitsing gebeurd moet zijn tussen loon en auteursrecht, bij gebreke waaraan het voordeel verloren gaat.

 

Blijvende gevoeligheden

Enkele aandachtspunten zijn nog steeds niet verduidelijkt in circulaires of rulings.  Zo blijft het voorlopig nog steeds een gevoelig punt om het precieze onderdeel van de vergoeding te bepalen dat als auteursrecht kan aangemerkt worden.  Het spreekt immers voor zich dat men de regeling niet kan misbruiken om inkomsten die duidelijk een loon of vergoeding voor diensten uitmaken te herkwalificeren als auteursrecht.

Het bepalen van het juiste evenwicht én van de vraag of bepaalde creatieve activiteiten in aanmerking kunnen komen, blijft specialistenwerk.  Sirius Legal staat, met zijn ruime ervaring in auteursrecht, IT én fiscaal recht, al zeer lang cliënten bij in de fiscale optimalisatie van hun beroepsinkomsten.  Als je hier graag meer informatie over wil, kan je ons steeds vrijblijvend contacteren via bart@siriuslegal.be.