Blog Mediarecht

14.08.2015 Bart Van den Brande

Europese Commissie organiseert openbare raadpleging over de richtlijn Audiovisuele Mediadiensten

De Europese Commissie organiseert een openbare raadpleging over de toekomst van de  Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (hierna: AVMD-richtlijn).  TV-zenders, productiehuizen, content suppliers, aanbieders van telecomdiensten, nationale overheden en andere belanghebbenden kunnen nog tot eind september een online survey invullen.

 

De AVDM-richtlijn

Ter herinnering: de AVMD-richtlijn harmoniseert een aantal regels voor de audiovisuele sector in alle EU-landen met de bedoeling een interne markt voor audiovisuele mediadiensten te creëren. In Vlaanderen is de AVMD-richtlijn opgenomen in het Mediadecreet van 27 maart 2009.

De voorbije jaren echter is het audiovisuele medialandschap aanzienlijk veranderd. De Europese Commissie heeft daarom aangekondigd dat de AVMD-richtlijn in 2016 herzien zal worden. In voorbereiding op die herziening, kan de sector dus nu al via deze openbare raadpleging zijn stem laten horen.

 

De topics:

  • Het garanderen van een gelijk speelveld voor audiovisuele mediadiensten;
  • Versterking van de consumentenbescherming;
  • De bevordering van de kwaliteit en het aanbod van Europese audiovisuele inhoud;
  • De versterking van de interne markt;
  • De versterking van vrije en pluralistische media,
  • De vrijheid van informatie en de gegarandeerde toegankelijkheid van inhoud voor mensen met een handicap.

 

Mediasector wordt om zijn stem gevraagd

De openbare raadpleging richt zich zoals gezegd tot nationale overheden, tv-omroepen, producenten, content providers, aanbieders van telecomdiensten, juristen en wetenschappers en in het algemeen alle EU-burgers.

De uit deze bevraging verzamelde feedback zal vervolgens door de Europese Commissie meegenomen worden bij haar voorstellen voor de toekomst van de AVMD-richtlijn.

De openbare raadpleging loopt van 6 juli 2015 tot 30 september 2015.  Wie zijn stem wil laten horen, heeft dus nog 6 weken de tijd…

20.04.2012 Bart Van den Brande

De fiscale gevolgen van het aanbieden van spelen en weddenschappen in de media

Gisteren kondigden De Tijd en De Standaard aan dat nagenoeg elk Belgisch mediabedrijf een aanzienlijke aanslag heeft ontvangen m.b.t. de belasting op spelen en weddenschappen op de spelletjes die zij organiseren.

 

Hoe zit deze belasting nu juist in mekaar?

De beginselen van onze belasting op spelen en weddenschappen zijn terug te vinden in de wet van 28 augustus 1921 houdende de invoering van nieuwe fiscale middelen. De belasting op spelen en weddenschappen werd vooral ingevoerd om een extra bron van inkomen te bezorgen aan de Belgische staat en dit hoofdzakelijk door de weddenschappen bij paardenrennen en de casinospelen te belasten.

Anno 2010 diende de wetgever samen met de marktspelers vast te stellen dat de wetgeving niet meer aangepast is aan deze tijd en vooral niet aan de spelen en weddenschapen die nu via communicatiemiddelen worden aangeboden die in 1921 ondenkbaar waren, denken we maar SMS, internet of zelfs de rode knop van de afstandbediening van het televisietoestel.

De fiscale administratie heeft het dus nodig geacht de lacunes en onvolkomenheden in de wetgeving aan te vullen en te interpreteren. Dit is gebeurd in de circulaire nr. E.T. 109.696 dd. 12.11.2009 wat betreft de BTW en de circulaire nr. IR/IV-4/91.638 dd. 10.11.2009 wat betreft de belasting op spelen en weddenschappen.

 

Dubbele belasting

Wat was nu juist het probleem. Stel ik neem via sms deel aan een spel waarmee ik een prijs kan winnen. Ik zal op mijn factuur van de telecomoperator de prijs voor de deelname vinden, waarop BTW aan het gewone tarief van 21% word aangerekend. Als we dit in detail gaan bekijken merken we dat dit niet correct is. Artikel 44, §3, 13° W. BTW stelt de weddenschappen, loterijen en andere kansspelen immers vrij van BTW. Artikel 43 van het wetboek van de met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen (W.I.G.B). onderwerpt de spelen en weddenschappen net aan de belasting op spelen en weddenschappen. Het gevolg van dit alles is dat er een dubbele belasting werd geheven (btw heffing op een som die reeds onderworpen was aan de belasting op spelen en weddenschappen).

Daarnaast diende opgemerkt te worden dat de facturatiestroom niet langer de juridische verhouding tussen partijen weergaf, doch meer de financiële verhouding tussen partijen.

Partijen in deze zijn:

 de consument: hij die deelneemt aan het spel
 de telecomoperator
 de facilitator: de tussenpersoon die zijn infrastructuur ter beschikking stelt voor het beheer en de afhandeling van de communicatie
 de organisator of content provider: hij die daadwerkelijk het spel organiseert of de inhoud ervan aanlevert.

Vanuit het standpunt van de consument lijkt het alsof de telecomoperator de content provider is, wat helemaal zo niet hoeft te zijn.

De facilitator als tussenpersoon factureert aan de telecomoperator het bedrag dat hij aanrekent voor zijn diensten, terwijl hij zijn diensten echter verstrekt aan de content provider.

De “BTW circulaire” – Circulaire nr. E.T. 109.696 dd. 12.11.2009

De BTW circulaire legt eerst en vooral een omdraaiing van de facturatiestroom op.

De telecomoperatoren worden vervolgens verzocht om voortaan enkel en alleen de meerkost die zij eventueel aanrekenen aan de speler boven de prijs van de content te factureren met BTW. Het bedrag van de content dat door de telecomoperator geïnd wordt voor rekening van de content provider wordt nog echter afzonderlijk vermeld op de factuur (“below the line”).

De “Circulaire op spelen en weddenschappen” – de circulaire nr. IR/IV-4/91.638 dd. 10.11.2009

Het artikel 43 van het W.I.G.B. bepaalt dat de belasting geheven wordt op het “brutobedrag van de sommen ingezet”. Wat is nu juist dit brutobedrag? In een casino is dit duidelijk, bij de paardenrennen ook. Het wordt al veel minder duidelijk als ik een “inzet” plaats via sms. Wat is dan mijn inzet? De totale kostprijs van de sms of de prijs van de sms minus de kost van de telecommunicatie?

De Circulaire op spelen en weddenschappen probeert hier een antwoord op te geven. Het antwoord is meteen duidelijk. Onder het brutobedrag dient begrepen te worden in zijn meest ruime betekenis, namelijk de sommen die door spelers worden gewaagd als de sommen die ze uitgeven om er aan deel te nemen.

Een simpele toepassing van dit principe gaf in het verleden eveneens aanleiding tot dubbele belasting. De telecommunicatiedienst is onderworpen aan een BTW-tarief van 21%. Indien dit bedrag deel uitmaakt van de inzet zal hier nogmaals de belasting op spelen en weddenschappen dienen geheven te worden.

De Circulaire op spelen en weddenschappen stelt nu duidelijk dat de “meerkost” van de telecommunicatie, zijnde het bedrag dat lastens de deelnemer wordt aangerekend door de telecomoperator als telecommunicatiekost afgetrokken mag worden ter berekening van de belastbare basis voor de belasting op spelen en weddenschappen. Deze meerkost verschijnt “above the line” op de factuur die de consument ontvangt van de telecomoperator.

Wat indien deze meerkost door de telecomoperator niet aan de speler, doch aan de facilitator of aan de organisator van het spel aangerekend wordt? Dit blijft ook vandaag nog onduidelijk; het zou zeker wenselijk zijn dat in dat geval de administratie eveneens de aftrek van een bepaald (eventueel forfaitair vastgesteld) bedrag aanvaardt voor de berekening van de belastbare basis.

Daarnaast voert de Circulaire op spelen en weddenschappen ook het zogenaamde “serverakkoord” in. Dit serverakkoord moet de administratieve afhandeling aanzienlijk vergemakkelijken. Waar er voorheen een voorafgaande aanvraag diende te gebeuren bij de Gewestelijk directeur en een 2-maandelijkse aangifte en betaling van de verschuldigde belasting alsook het uitreiken van tickets zal het serverakkoord de afzonderlijke aanvraag niet langer noodzakelijk maken en het uitreiken van tickets wordt nu overbodig door een online toegang van de fiscus tot de server van de organisator.

 

Circulaire?

Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat beide circulaires “uitgiftes” zijn van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze circulaires zijn een interpretatie van de fiscale administratie aan het bestaande BTW wetboek en het W.I.G.B.

Daarnaast regelt de Circulaire op de spelen en weddenschappen een gewestmaterie. Sinds de Bijzondere wet van 16 januari 1989 is de belasting op de spelen en weddenschappen een gewestbelasting en zijn het dus de Gewesten die instaan voor de bepaling van de tarieven. Het Waals Gewest echter heeft zelfs verkozen om vanaf 2010 in te staan voor de inning ervan. Vraag rijst in welke mate de Gewestelijke ambtenaren gebonden zijn door een Federale circulaire.

 

Tarieven

De tarieven voor online kansspelen bedragen in Vlaanderen en Wallonië 11% op de brutomarge (inzetten minus uitbetaalde sommen). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen deze 15%.

 

Nog vragen?

Bel of mail gerust met Bart Van den Brande op bart@siriuslegal.be of +32 492 249 516 of boek hier meteen een vrijblijvend online kennismakingsgesprek in met Bart via Google Meet of Zoom.
Partner Sirius Legal

24.11.2010 Bart Van den Brande

Product placement of het geloof in het gezond verstand van de kijker

Tijdens het VRM symposium over de toekomst van televisiereclame vanochtend in de Brabanthal in Leuven ontspon zich een geanimeerde discussie tussen leden van de VRM enerzijds en enkele vertegenwoordigers van tv-producenten en adverteerder in de zaal anderzijds.  Inzet was de vraag of de kijker mondig genoeg is om zelf product placement te herkennen in een programma en er de waarde van in te schatten.  Een gelegenheid om een update te maken van een jaar product placement in Vlaanderen.

De Aston Martin van James Bond, de MacBook in Mission Impossible, de Converses van Will Smith in I Robot, … Niemand is verbaasd om merken te zien opduiken in bioscoopfilms en geen mens die denkt dat Aston Martin, Apple of Converse per toeval gekozen zijn door de filmmakers.  Het gaat hier natuurlijk om product placement en we weten allemaal dat bedrijven grof geld neertellen om geassocieerd te worden met acteur X of film Y.  In Amerikaanse films is product placement al tientallen jaren ingeburgerd en is het vaak een belangrijk onderdeel van de financiering van een film.

In België en in gans Europa eigenlijk was product placement jarenlang taboe.  De consument moest beschermd worden tegen de boze machten van de marketing en de dagschotel van Xavier mocht dus in geen geval uit Leuven of Jupille komen, maar moest van een onbestemd merk zijn.

 

Verandering?

Pas met de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten 007/65/EG van 11 december 2007 en het in uitvoering daarvan genomen Vlaams Mediadecreet van 27 maart 2009 werd product placement mogelijk in Vlaanderen.  De overwegingen van de Europese richtlijn hadden al duidelijk gemaakt dat product placement onder bepaalde omstandigheden mogelijk moet zijn, tenzij een lidstaat anders beslist.  Weliswaar is het uitgangspunt van de richtlijn dat product placement in beginsel verboden is, maar de richtlijn geeft meteen een lijst van programmagenres mee waarvoor het verbod niet geldt en waarvoor product placement dus wel kan.  Het gaat onder meer om films, series, sport en ‘licht amusement’.  Voorwaarde is wel dat de ‘redactionele onafhankelijkheid’ van de omroep niet wordt aangetast en dat de kijker duidelijk gewezen wordt op de aanwezigheid van product placement.

In het Vlaamse Mediadecreet werd één en ander vertaald in de artikels 99 en 100, die voorzien dat product placement kan in bepaalde programma’s als de redactionele onafhankelijkheid gegarandeerd is, als de kijker duidelijk gewezen wordt op de product placement, als de aanwezigheid van het product niet aanzet tot aankopen en als het product geen overmatige aandacht krijgt.

Het mediadecreet is inmiddels een goed jaar geleden in werking getreden en ook het ondertussen bekende PP logo heeft er zijn eerste werkjaar opzitten.  Product placement is inmiddels ook in Vlaamse producties ingeburgerd en is een vast gegeven geworden op alle Vlaamse zenders.

 

Controle en beboeting

De controle op de naleving van het decreet door de zenders is toegewezen aan de Vlaamse Regulator voor de Media en die deed de voorbije twaalf maanden zijn werk grondig.  Zowat alle grote zenders liepen immers al veroordelingen op voor inbreuken op de regels met betrekking tot product placement.

De eerste zender die in 2010 aan de beurt was, was VT4.  Moederhuis SBS werd op 18 januari in de zaak 2010-005 veroordeeld tot een boete van maar liefst 10.000 euro voor een dubbele inbreuk op de PP regels in twee opeenvolgende afleveringen van The Block.  In een eerste aflevering werd aan de deelnemers aangekondigd dat alle verf in het programma ter beschikking gesteld werd door Levis.  Een pot Levis verf kwam ‘maar liefst 5 seconden lang prominent in beeld’ (1/4 van het beeld volgens de VRM) en even later zei één van de schilderende deelnemers dat de Levis verf “echt goei verf” is.  Een week later meldde de voice over dat één van de deelnemers “blijkbaar gekozen heeft voor een prima verwarmingsinstallatie”, waarbij de merknaam Junkers duidelijk in beeld kwam.

In beide gevallen oordeelde de VRM dat de programmamakers “overmatige aandacht” schonken aan het merk en daarmee artikel 100 van het decreet overschreden.

Dezelfde analyse viel de VRT en de VMMa te beurt in de zaken 2010-15, 2010-26, 2010-27.  Telkens opnieuw oordeelde de VRM dat buitensporig veel aandacht gegeven werd aan de gesponsorde items en legde ze een boete op van 5.000 euro.  In het geval van de VRT ging het om een item van tweeënhalve minuut over het feit dat Yanina Wickmayer het nieuwe gezicht was voor een reclamecampagne voor lingeriemerk Marie Jo.  De VRM oordeelde dat in wat nochtans op het eerste zicht duidelijk een licht nieuwsitem was op overdreven positieve wijze reclame gemaakt werd voor het ondergoed van Marie Jo.  Ook een item in de Zevende Dag over een nieuwe brasserie ‘Kwint’, die al te nadrukkelijk in beeld kwam en al te zeer bejubeld werd viel niet in de smaak bij de VRM.  Het feit dat uitsluitend positieve commentaren gegeven werden en dat de naam al te nadrukkelijk vermeld werd en in beeld kwam, kon evenmin door de beugel.

Wanneer men de beslissingen, die overigens allemaal beschikbaar zijn op www.vlaamseregulatormedia.be, leest is het al snel duidelijk dat de beslissingen van de VRM stuk voor stuk zijn ingegeven door een feitelijke interpretatie van de VRM over wat nu precies ‘overmatige aandacht’ is of wat precies ‘aanzet tot aankopen’, waarbij de VRM vaak op minutieuze wijze de tijd meet dat bepaalde vermeldingen zichtbaar zijn of het aantal keren dat een merknaam vermeld wordt.

 

Heeft de consument deze strenge bescherming wel nodig?

De vraag stelt zich echter in welke mate de tv-kijker zo’n vergaande –men zou durven zeggen paternalistische-  bescherming op basis van strenge toepassingen van het mediadecreet nodig heeft.  De Vlaamse tv-kijker wordt immers dagelijks overspoeld met reclame op tv, op internet, in tijdschriften, op bilboards, in zijn brievenbus en inbox en men zou er inmiddels van uit mogen gaan dat de gemiddelde tv-kijkers –of zelfs de minder mondige tv-kijker- over voldoende kritisch onderscheidingsvermogen beschikken om product placement te herkennen en naar waarde te schatten.  De reflectie dringt zich eens te meer op nu gelijkaardige vormen van product placement op internet en zelfs in stripverhalen schering en inslag zijn en de VRM daarover geeneens de bevoegdheid heeft om op te treden.

Kan men inmiddels niet veronderstellen dat de kijker voldoende mondig is om zelf te ageren wanneer hij naar zijn mening met te veel of te intrusieve product placement geconfronteerd wordt?  Is het werkelijk nodig de kijker constant bij het handje te houden?  Geen nieuwe vragen en ik zal zeker niet de eerste zijn die ze stelt.

De discussie die zich vanochtend ontspon op het jaarlijkse VRM symposium, dat deze keer gewijd was aan “nieuwe trends in televisiereclame” was dan ook erg interessant.

Professor Mediarecht Dirk Voorhoof, die ook lid is van de Tweede Kamer van de VRM die zich bezighoudt met de bescherming van minderjarigen, herhaalde zijn al eerder gegeven standpunt dat Vlaanderen zich met zijn tolerante regelgeving ten aanzien van product placement (t.t.z. het loutere feit dat product placement in Vlaanderen toegestaan is) op de ‘absolute ondergrens van de Europese regelgeving’ bevindt.  Aangezien die regelgeving de bescherming van de consument tot doel heeft en Vlaanderen dus, volgens professor Voorhoof voor een lager niveau van bescherming koos dan de ons omliggende landen, moet het Vlaams Mediadecreet steeds zo strikt mogelijk toegepast en geïnterpreteerd worden.  Professor Peggy Valcke, eveneens zetelend in de VRM, voegde hieraan toe dat het haar inziens absoluut niet zeker is dat de gemiddelde tv-kijker over voldoende onderscheidend vermogen beschikt om product placement correct te kunnen plaatsen

Maxim Hauk, vertegenwoordiger van de Association of Commercial Television in Europe –ACT, reageerde hierop heftig met de melding dat de richtlijn product placement absoluut niet uitsluit of tot een uitzondering maakt en dat een beperkende interpretatie zich dus helemaal niet opdringt en dat de kijker echt wel matuur genoeg is om product placement correcte herkennen en in te schatten.  Hij werd hierin gesteund door enkele andere stemmen uit de zaal.

De vraag stelt zich mijns inziens inderdaad of, in een wereld van convergerende technologieën, waar de consument dagelijks via allerlei media van ipad, over smartphone, ipod, pc, tv tot de klassieke kranten en tijdschriften met reclame en product placement geconfronteerd wordt inderdaad nood bestaat aan een controle op één specifiek onderdeel van dat media-aanbod, met name de audiovisuele omroepdiensten, terwijl voor alle andere media die controle niet bestaat.  Een en ander onderschat mijns inziens in ruime mate het gezond verstand van de Gemiddelde Vlaming en een debat specifiek gewijd aan de rol en het optreden van de VRM in deze en gelijkaardige aangelegenheden zou ongetwijfeld een verrijking zijn voor alle betrokken actoren.

Of om het in andere woorden te stellen: mogen we in 2010 niet veronderstellen dat iedereen in staat is om correct in te schatten dat de dagschotels van Xavier of de Duvels van Van In niet toevallig gekozen zijn en door de programmamakers gekozen zijn als onderdeel van de financiering van De Kampioenen of Aspe?  Hebben we echt nood aan een zo strenge beteugeling van elk geval waarin een merknaam al te nadrukkelijk vermeld wordt in een tv-programma…?