Blog Nieuwe vennootschapsrecht

28.06.2019 Bart Van den Brande

Een nv mag bestuurder niet meer zomaar aan de deur zetten

Het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen voert twee belangrijke wijzigingen door in de relatie van de vennootschap met haar bestuurders. Het klassieke verbod op de opzegbescherming voor bestuurders in de nv wordt afgeschaft. En de mogelijkheid tot het uitoefenen van een bestuursmandaat onder een arbeidsovereenkomst wordt sterk beperkt.

 

Naar een opzegbescherming voor bestuurders

Onder het voormalige vennootschapsrecht gold het principe van de zogenaamde “ad nutum” herroepbaarheid van het mandaat van een bestuurder. Zulks betekende dat een algemene vergadering het lopende mandaat van een bestuurder onmiddellijk kon beëindigen. Er moest geen opzegtermijn worden gegeven, noch opzegvergoeding worden betaald. De algemene vergadering moest zelfs geen redenen opgeven voor de beëindiging van het mandaat.

De “ad nutum” herroepbaarheid kon worden omzeild door laterale afspraken. Zo kon de bestuurder in kwestie bijkomende opdrachten krijgen, waarbij de betrokken overeenkomst wél voorzag in opzegbescherming. Of er konden – in voorkomend geval – op groepsniveau garantieafspraken worden gemaakt ten gunste van de bestuurder.

Van de regeling rond de “ad nutum” herroepbaarheid bij nv’s kon niet worden afgeweken, niet statutair, noch tussen partijen. De regeling was dan ook van openbare orde. Net daar voert het nieuwe WVV een verandering door. De “ad nutum” herrroepbaarheid blijft nog wel bestaan, maar de regel wordt van suppletief recht. Er kan dus een soort van “ontslagregeling” worden uitgewerkt binnen de nv en deze kan worden onderhandeld met de kandidaat-bestuurder bij aanstelling. Voorwaarde is wel dat de opzegregeling in de statuten wordt voorzien. Wordt er niet van afgeweken, valt men terug op de wettelijke regeling van de “ad nutum” herroepbaarheid.

Wanneer een opzegregeling wordt voorzien, komt ook het leerstuk van onmiddellijke beëindiging om wettige redenen in zicht. Zelfs wanneer de statuten in een opzegregeling voorzien hebben, moet het immers nog mogelijk zijn om het bestuursmandaat onmiddellijk te beëindigen in uitzonderlijke gevallen. Wanneer een bestuurder zich schuldig maakt aan zeer ernstige fouten of fraude, beschikt een algemene vergadering alsnog over de mogelijkheid om die bestuurder onmiddellijk en zonder opzeg of vergoeding af te zetten.

De “ontslagbescherming” voor bestuurders kan in de nv nog worden versterkt. Dit is mogelijk wanneer de nv kiest voor het bestuursmodel met de enige bestuurder. In dat geval kunnen de benoeming van de bestuurder en diens bescherming in de statuten verankerd worden.

Voor de bv’s en cv’s verandert er op dit vlak zo goed als niets. Daar was de “ad nutum” herroepbaarheid reeds van suppletief recht en mocht er dus van worden afgeweken in de statuten.

 

Geen bestuursmandaat meer onder arbeidsstatuut

De tweede wijziging focust eerder op het (sociaal) statuut van de bestuurder. Voor bestuurders en leden van het directiecomité was het vooralsnog niet mogelijk om hun mandaat uit te oefenen onder een arbeidsovereenkomst (met de betrokken vennootschap). Dit was voornamelijk het geval wanneer het bestuursorgaan of het bestuurslid in kwestie voldoende beslissingsmacht kon uitoefenen binnen de vennootschap en tevens over voldoende vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikte.

Met name bij de oude bvba’s kon gedacht worden aan de hypothese waarbij gekozen werd voor een “college van zaakvoerders” en er onderling een duidelijke hiërarchie werd bepaald. In dat geval kon er immers voorzien worden dat een collega-zaakvoerder zijn mandaat wel kon dragen onder een arbeidsovereenkomst.

Thans laat het WVV nog weinig marge tot interpretatie. De mogelijkheid voor bestuurders van vennootschappen om te opereren onder een arbeidsovereenkomst wordt uitgesloten. Dit geldt eveneens voor de leden van het voormalige “directiecomité”, de huidige “directieraad”. Voor zover werknemers van de vennootschap zetelen als lid van het directiecomité, en er wordt gekozen voor een duale beheersstructuur met “directieraad” met effectieve bestuursbevoegdheden, zullen de leden-werknemers een ander statuut moeten aannemen.

Net zoals dat vroeger ook mogelijk was, is het niet ondenkbaar dat een bestuurder of lid van de directieraad ook uitvoerende opdrachten heeft binnen de vennootschap en in dien hoofde een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten met de vennootschap. Een cumul van een bestuursmandaat en een gewone bezoldigde activiteit is dus niet helemaal onverenigbaar. In dat geval zal toch moeten worden aangetoond dat beide statuten los staan van elkaar. Concreet moet de bezoldigde activiteit effectief verschillen van het bestuursmandaat en moet er – net zoals bij andere arbeidsrelaties – sprake zijn van een ondergeschikt verband.

Voor de gedelegeerd bestuurder verandert er met de wetswijziging op dit punt niets. Deze kunnen in principe kiezen voor een statuut als werknemer, dan wel hun diensten leveren als zelfstandige dienstverlener.

 

Meer vragen over het bestuur en vertegenwoordiging van de vennootschap?

Contacteer ons gerust via info@siriuslegal.be of telefonisch op 02/721 13 00.

Dit artikel werd geschreven door Andries Hofkens die inmiddels Sirius Legal heeft verlaten. 

14.06.2019 Roeland Lembrechts

Het nieuwe vennootschapsrecht: flexibele overdracht van aandelen in de BV

Flexibilisering is één van de buzzwords in het nieuwe vennootschapsrecht: als aandeelhouder en bestuurder krijg je enorm veel mogelijkheden om jouw vennootschap te finetunen naar je wensen en noden. Oude dwingende regels zorgden ervoor dat je soms verplicht was om een vennootschapsvorm te kiezen die je werkzaamheden onder onaangename dwingende voorwaarden brachten of dat je gedwongen werd tot een oneigenlijk gebruik van een bepaalde vennootschapsvorm. Zo werden de S-BVBA en de E-BVBA afgeschaft en heb je onder de BV dezelfde mogelijkheden. Met de BV als koninginnenstuk van het nieuwe vennootschapsrecht, wordt ook voor velen de NV geen noodzakelijke vennootschapsvorm meer. Dit wordt onder meer mogelijk gemaakt door de vrijheid in de BV om de overdracht van aandelen te regelen.

 

Overdracht van aandelen werden in de oude BVBA aan banden gelegd.

De BVBA was vroeger een echte besloten vennootschap. De strikte wettelijke regeling maakte de overdracht van aandelen maar beperkt mogelijk, waarbij de overdracht enkel toegelaten was aan een medevennoot, aan de echtgenoot van de overdrager, aan bloedverwanten van de overdrager in de rechte lijn, of aan andere door de statuten toegelaten personen.

Overdracht van aandelen aan derden was ook mogelijk, maar enkel met de instemming van ten minste de helft van de vennoten, die ten minste drie vierde van het kapitaal bezitten, na aftrek van de aandelen die worden overgedragen.

De statuten van de BVBA konden hier weliswaar van afwijken, maar enkel als de afwijking strenger was. Het niet respecteren van deze strenge regelgeving leidde tot de nietigheid van de overdracht.

Van een soepele regeling was er bijgevolg geen sprake.

 

Overdracht van aandelen in de BV kunnen losbandig worden

De nieuwe vennootschapsregeling met betrekking tot de overdracht van aandelen voorziet in dezelfde regeling als vroeger, maar deze regeling is enkel aanvullend. Je kan nu vrij bepalen hoe de overdracht geregeld wordt. Voorzie je niets dan is de oude regeling van toepassing. Wijken de statuten er van af, dan kan er een verregaande openheid gecreëerd worden. Zo kan je je bij een vrije overdraagbaarheid zonder enige beperking, de vraag stellen waarom de vennootschap in dat geval nog ‘besloten’ wordt genoemd als vorm.

Het is ook niet meer nodig om een algemene vergadering bijeen te roepen. Een puur schriftelijke besluitvorming volstaat.

Weigeren een aantal aandeelhouders overigens zonder geldige reden om toe te stemmen in de overdracht dan is ook de procedure om deze weigering teniet te doen, versoepelt: Voortaan zal het vonnis onmiddellijk gelden als instemming met de overdracht, zonder dat er nog termijnen dienen afgewacht te worden.

Ook de sanctie is anders (maar heeft in de praktijk niet zo’n verschillend effect): misken je je eigen regeling of de aanvullende wettelijke regeling, dan is de overdracht niet tegenstelbaar aan de vennootschap of derden. De vennootschap en derden hoeven daarbij niet de kwade trouw van de overnemer van deze aandelen aan te tonen.

 

Aandeelhouders spannen de banden nu zelf aan!

Als aandeelhouder kan je allerlei overdrachtsbeperkende clausules opnemen in de statuten. (Vb. goedkeuringsquota, voorkooprechten, voorkeursclausules, , …) Dit gebeurde onder de BVBA ook reeds, maar hier bestond een discussie of deze afspraken wel tegenstelbaar waren aan derden, bijvoorbeeld de overnemer. Aan deze discussie is een einde gemaakt, zodat deze overdrachtsbeperkingen altijd tegenstelbaar zijn aan derden, zelfs al zijn zij te goeder trouw. Heeft een overdracht plaatsgehad met miskenning van deze overdrachtsbeperkingen, dan is deze niet tegenstelbaar aan de vennootschap of derden. Het is daarbij niet van belang of de overnemer ter goeder of ter kwader trouw handelde en evenmin of deze statutaire beperkingen in het aandelenregister werden opgenomen.

Overdrachtsbeperkingen kan je ook vastleggen in een aandeelhoudersovereenkomst, zonder deze op te nemen in de statuten van de vennootschap. Let daarbij wel op dat deze regeling geen versoepeling kan zijn van wat statutair geregeld is. Beperkingen in een aandeelhoudersovereenkomst kunnen dus enkel strenger zijn. Je kan als aandeelhouder vragen dat deze overdrachtsbeperkingen in de aandeelhoudersovereenkomst worden vermeld in het aandelenregister, wat nadien het bewijs vergemakkelijkt dat een derde overnemer ter kwader trouw was. Deze overnemer kan immers voor overname kennis nemen van deze beperkingen in het aandelenregister. In vergelijking met statutaire overdrachtsbeperkingen zijn louter contractuele overdrachtsbeperkingen niet automatisch tegenstelbaar: de kwade trouw van de overnemer, namelijk zijn derde-medeplichtigheid bij contractbreuk, dient bewezen te worden.

 

Meer vragen over de mogelijkheden die je hebt bij overdracht van aandelen in je nieuwe BV?

Neem dan gerust contact op met Roeland via roeland@siriuslegal.be of of telefonisch op 02/721 13 00.

07.06.2019 Bart Van den Brande

Investeerder in aantocht? Met het nieuwe vennootschapsrecht hou je de touwtjes in handen

We staan bij Sirius Legal sinds jaar en dag starters en groeibedrijven bij, vaak in technologiegebonden sectoren. Een van de dingen die heel wat van onze jonge, enthousiaste cliënten met elkaar gemeen hebben is dat hun snelle groei vroeg of laat tot de vaststelling leidt dat extra kapitaal noodzakelijk is.

De zoektocht naar een investeerder is daarbij de eerste uitdaging, maar zodra die investeerder gevonden is volgt een tweede, meer juridische uitdaging. Met de komst van vers kapitaal verschuiven immers ook de bestaande machtsevenwichten binnen een bedrijf en zeer vaak trekt de investeerder daarbij -al dan niet terecht- het laken naar zich toe.

We bespraken in deze serie de voorbije weken al heel wat aspecten van het nieuwe vennootschapsrecht. Vandaag bekijken we hoe de nieuwe regels gebruikt kunnen worden om alvast in de statuten de macht te verankeren bij de oprichters, tenminste in de mate dat men de onderhandelingsmarge heeft om onderstaande voorstellen op tafel te leggen. We geven hieronder enkele voorbeelden, maar de mogelijkheden zijn vanzelfsprekend veel ruimer dan dit kort bestek toelaat…

 

Aandeelhoudersovereenkomst of statuten

Het was in het verleden gangbaar om bij de intrede van nieuwe vennoten, of dat nu een investeerder was of een nieuwe actieve vennoot, meteen ook een aandeelhoudersovereenkomst af te sluiten. Die aandeelhoudersovereenkomst bevatte klassiek een aantal afspraken rond onderwerpen die niet in de statuten opgenomen konden worden en die bepaalde evenwichten en zekerheden tussen de aandeelhouders moesten garanderen. Voorkooprechten die ervoor moesten zorgen dat aandelen uit handen van derden bleven, standstill clausules die ervoor moesten zorgen dat iedereen zich voor een minimale termijn engageerde en zijn aandelen niet vroeger kon verkopen, stemafspraken over bepaalde gevoelige onderwerpen, het recht voor de ene of de andere om een bestuurder te benoemen en soms zelfs het recht voor de ene of de andere om bepaalde bedragen te factureren aan de vennootschap in functie van zijn ‘gewicht’ binnen de vennootschap, …

Het nieuwe vennootschapsrecht verschuift enigszins het gewicht van die aandeelhoudersovereenkomsten naar de statuten van de vennootschap zelf. Heel wat constructies die vroeger nodig waren in een aandeelhoudersovereenkomst, kunnen vandaag ook, soms op een andere manier, opgevangen worden in de statuten.

Waarom is dit belangrijk? Wel, een aandeelhoudersovereenkomst is wat de naam zegt: een overeenkomst. En overeenkomsten hebben hun beperkingen, ze kunnen verbroken worden, ze kunnen opgezegd worden, ze kunnen om verschillende redenen nietig blijken te zijn en -en dit is niet eens zo uitzonderlijk- er kan discussie bestaan over de inhoud en de geldigheid van het contract. Bovendien gelden aandeelhoudersovereenkomsten alleen tussen de aandeelhouders die ze effectief ondertekend hebben. Als één aandeelhouder niet tekent of als er later een nieuwe aandeelhouder instapt, kan de waarde van een aandeelhoudersovereenkomst al snel erg relatief blijken.

Als we echter een aantal veiligheidsmechanismen in de statuten zelf kunnen inbouwen, dan zitten die meteen gebetonneerd én zijn ze bindend ten aanzien van alle huidige en toekomstige aandeelhouders.

Het zal dus in de toekomst belangrijk worden om goed na te denken, niet enkel over welke afspraken nodig zijn, maar ook waar ze best ingebouwd kunnen worden, in de statuten zelf of in een afzonderlijke aandeelhoudersovereenkomst.

 

Ontslagbescherming bestuurders mogelijk

Een van de hoekstenen van de regels rond het bestuur van vennootschappen was in het verleden steeds het zogenaamde “ad nutum” ontslag van bestuurders, wat betekende dat een vennootschapsbestuurder op elk ogenblik, zonder motivering en zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen kon worden. Hierop waren wel wat remmen gegroeid in de rechtspraktijk, maar in se kon je als bestuurder elke dag te horen krijgen dat je de volgende dag niet terug hoefde te komen. Enkel statutair benoemde zaakvoerders hadden wat meer zekerheid in die zin dat hun ontslag een statutenwijziging vereiste en dus een meerderheid van stemmen op de daartoe bijeengeroepen algemene vergadering. Maar nog steeds gold dat het ontslag onmiddellijk, zonder opzegvergoeding en in se zonder specifieke reden kon gegeven worden.

Een en ander zorgde geregeld voor een wat precaire situatie voor de oprichters die een externe investeerder binnenhaalden en daarbij wel uit de brand konden slepen dat ze bestuurder mochten blijven. Hun mandaat was immers erg onzeker en kon op elk ogenblik en zonder veel uitleg eindigen.

Het nieuwe vennootschapsrecht verandert dit in aanzienlijke mate. Het is vanaf heden mogelijk om in de statuten te voorzien dat ontslag van bestuurders enkel mogelijk is op bepaalde welomschreven gronden. Dat verplicht de vennootschap om een ontslag ook effectief te motiveren en te toetsen aan de voorziene gronden. De oprichter/bestuurder die zich in een minderheid bevindt ten aanzien van de pas ingetreden investeerder kan zo alvast zorgen dat ontslag slechts mogelijk is in zeer beperkte specifieke gevallen, wat willekeur uitsluit.

Bovendien kunnen de statuten in de toekomst voorzien dat ontslag van bestuurders slechts mogelijk is met een bepaalde opzegtermijn en/of met een opzegvergoeding. Dat zorgt er in elk geval voor dat de bestuurder die dan toch zijn ontslag krijgt niet met lege handen op straat belandt, maar op zijn minst vergoed wordt of de tijd krijgt om een alternatief te zoeken.

Om het plaatje af te maken, kunnen voor het ontslag van bestuurders in de statuten ook bijzondere meerderheden of zelfs vetorechten voorzien worden, wat de positie van de oprichters/bestuurders binnen hun eigen vennootschap nog kan versterken.

 

Verschillende categorieën van aandelen

Het zal je uit onze eerdere bijdragen in deze reeks wellicht bijgebleven zijn dat vanaf nu ook in een bv (de vroegere bvba) gewerkt kan worden met verschillende categorieën van aandelen. Men kan bijvoorbeeld in de statuten voorzien in een reeks A-aandelen en een reeks B-aandelen. Elk van deze aandelen kan eigen stemrechten hebben.

Zo kan in een categorie tien stemrechten per aandeel toegekend worden en in de andere slechts één stemrecht per aandeel. Bovendien kan perfect voorzien worden dat voor bepaalde beslissingen een bijzondere meerderheid nodig is binnen een of elke van de aandelengroepen. Tenslotte kan aan een bepaalde categorie van aandelen individueel of in groep een vetorecht gegeven worden met betrekking tot bepaalde beslissingen.

Met bovenstaande mogelijkheden kan men vervolgens aan de slag gaan.

Men kan bijvoorbeeld aan de oprichtende aandeelhouders A-aandelen toekennen en aan de investeerder B-aandelen. Het kan dan perfect zo zijn dat die B-aandelen de meerderheid van stemrechten naar zich toe trekken, maar aan de A-aandelen kan wel voor bepaalde materies een vetostem gegeven worden (verkoop van handelsfonds, zetelverplaatsing naar het buitenland, fusie, splitsing of overname, vereffening of ontbinding, naamswijziging, …), zodat de ziel van de vennootschap -bij wijze van spreken- niet verkocht kan worden zonder het akkoord van de oprichters.

Minder sterk, maar ook werkbaar, is dat voor de hierboven weergegeven onderwerpen een vetorecht verleend wordt, maar dat die wel een meerderheid vereisen van 50, 60, 70, …% van de A-aandelen, zodat, opnieuw, bepaalde beslissingen niet genomen kunnen worden zonder het akkoord van de oprichters.

 

Inbreng van nijverheid

Er zijn nog heel wat meer interessante nieuwe mogelijkheden in het nieuwe vennootschapsrecht om de positie van oprichters beter te beschermen ten aanzien van investeerders die kapitaal aanbrengen en daarmee klassiek disproportioneel veel gewicht verkrijgen binnen de vennootschap.

Een van de interessante nieuwigheden is het feit dat men niet enkel meer kapitaal kan inbrengen of goederen in ruil voor aandelen, maar dat ook “nijverheid” (arbeidstijd) dus eigenlijk ingebracht kan worden. Dat betekent dat bij een kapitaalsverhoging bij intrede van een investeerder de initiële oprichters niet langer langs de zijlijn moeten blijven staan omdat ze geen financiële middelen hebben om een deel van de nieuwe aandelen voor zich te nemen. Dit is vandaag vaak het geval en daardoor “verwatert” het aandeel van de oprichters steeds verder bij elke kapitaalsverhoging. De oprichters die bij aanvang elk 50 van de 100 aandelen hebben, kunnen na twee kapitaalsrondes bijvoorbeeld wel nog steeds 50 aandelen hebben, maar als er inmiddels in totaal 500 aandelen zijn, is hun aandeel verwaterd van 50% tot 10% van het totaal.

Hoe kan dit opgevangen worden in de toekomst? Wel, het is niet ondenkbaar dat bij een kapitaalsverhoging en de daarmee gepaard gaande uitgifte van nieuwe aandelen een deel van die aandelen voorbehouden wordt voor een inbreng in ”nijverheid” door de bestaande oprichters of het bestaande management, dat op deze wijze proportioneel beter vertegenwoordigd kan blijven in het totale aandelenpakket van de vennootschap.

 

Tal van andere opportuniteiten

Het nieuwe vennootschapsrecht biedt tal van andere opportuniteiten, buiten de hierboven beschreven mogelijkheden.

Ben je oprichter/eigenaar van een snel groeiend bedrijf en dient de vraag naar extern kapitaal zich aan? Neem dan zeker even contact op voor een vrijblijvende babbel.

We bekijken graag met jou welke opties op tafel liggen en hoe we je eventueel kunnen bijstaan.

Mailen of bellen kan naar bart@siriuslegal.be of op 0486 901 931

28.05.2019 Bart Van den Brande

Nieuwe regels bij de oprichting van een bv

Eén van de grote vernieuwingen in het nieuwe Wetboek van Vennootschappen is de soepelere regeling rond bv’s, onder meer wat betreft de opstart ervan. Zo heb je bijvoorbeeld geen startkapitaal meer nodig en heb je grotere keuzemogelijkheden in je statuten. Maar, het verdwijnen van het verplichte startkapitaal betekent uiteraard ook dat er nieuwe regels rond de opstart in de plaats zijn gekomen.

 

Achtergrond

Wanneer je vóór 1 mei 2019 een nieuwe bvba opstartte, was je verplicht om een minimumkapitaal van 18.600 EUR te voorzien, waarvan 6.200 onmiddellijk volstort moest worden. Vanaf 1 mei 2019 moet je voor de opstart van een bv “toereikend aanvangsvermogen” hebben én beschikken over een financieel plan dat aan een aantal voorwaarden moet voldoen die strenger zijn opgevat dan onder de vorige wetgeving.

 

Toereikend aanvangsvermogen: wie, wat , waar, wanneer?

Als oprichter van een bv dien je erop toe te zien dat je bv bij de oprichting en dus bij het verlijden van de authentieke akte bij de notaris, over een eigen vermogen beschikt dat “toereikend” is om een periode van 2 jaar te overbruggen. Indien dit eigen vermogen zou bestaan uit een inbreng, dan moet die inbreng onmiddellijk volstort worden, tenzij de statuten anders zouden bepalen.

Naast eigen inbreng, kan je uiteraard ook een beroep doen op andere financieringsbronnen zoals bijvoorbeeld: een achtergestelde lening (bv. een lening via vrienden/familie) of zelf geld in de vennootschap pompen (of beter lenen aan de vennootschap) aan de hand van een rekening-courant,… Daarnaast is het ook mogelijk om een “inbreng van nijverheid” te doen, dit is eigenlijk een inbreng in natura van jouw (of die van één van de ander oprichters hun) arbeid. Jammer genoeg is de fiscale behandeling van een dergelijke inbreng in nijverheid niet zo interessant…

Dit toereikend aanvangsvermogen moet uiteraard bijeen gesprokkeld worden door de oprichters, maar daarnaast is het ook mogelijk om als gewone “inschrijver” opgenomen te worden in de oprichtingsakte. Een inschrijver is iemand die een inbreng in geld doet in de vennootschap, maar die geen oprichter is van de bv en om die reden ook niet aansprakelijk kan gesteld worden onder de oprichtersaansprakelijkheid. Dit is zodus een nieuwe, interessante en vooral veilige optie wanneer je investeert in een bv waarin je zelf geen actieve rol wenst op te nemen. Let wel, de aandeelhouders die wél oprichters zijn, moeten samen ten minste één derde van de aandelen bezitten.

 

Financieel plan : wat moet daarin staan?

Naast een toereikend aanvangsvermogen ben je ook verplicht om een financieel plan op te maken én neer te leggen bij de notaris op het moment van de oprichting. Volgende elementen maken verplicht deel uit van je financieel plan:

Beschrijving van de voorgenomen activiteit, overzicht financieringsbronnen en verstrekt zekerheden; openingsbalans en geprojecteerde balans na 12 en 24 maand (idem voor wat betreft de resultatenrekening); een cash-flow projectie voor minimaal 2 jaar na oprichting; Beschrijving van de hypothese gehanteerd voor prognose omzet/rentabiliteit.

Het is niet verplicht om beroep te doen op een financieel adviseur (bv. een boekhouder, accountant,…) voor het opstellen van dit plan, maar uiteraard is dit wel aanbevolen. Je financieel plan zal immers de toetssteen zijn voor je aansprakelijkheid als oprichter wanneer je binnen de 3 jaar na de oprichting failliet zou gaan. Daarenboven vormt een sterk financieel plan de basis voor een financieel gezonde onderneming.

 

Wanneer het fout loopt: oprichtersaansprakelijkheid

Indien de vennootschap binnen 3 jaar na de oprichting failliet gaat, kunnen de oprichters in bepaalde gevallen aansprakelijk worden gesteld indien blijkt dat het kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de activiteit over ten minste 2 jaar. In deze situatie kan aan de notaris ook gevraagd worden om het financieel plan dat destijds bij de oprichting neergelegd was, over te maken aan de rechtbank om na te gaan of dit realistisch was. De opmaak van een degelijk plan, al dan niet met hulp van een adviseur zal dus ook belangrijk zijn voor wat betreft je eventuele oprichtersaansprakelijkheid.

 

Vragen over het nieuwe vennootschapsrecht? Of over de opstart van een bv?

Contacteer ons gerust via info@siriuslegal.be of via 02/721 13 00.

20.05.2019 Roeland Lembrechts

Tijdslijn van het nieuwe vennootschapsrecht: wanneer op wat precies letten?

Ondertussen is 1 mei 2019 gepasseerd en is het nieuwe vennootschapsrecht in werking getreden. Dit betekent niet dat elke vennootschap of vereniging plots onderworpen is aan al deze nieuwe verplichtingen. De wet voorziet in een overgangsregeling, waarbij je telkens goed moet nakijken welke regels van toepassing worden en wat je precies moet doen om je conform te maken.

Wij geven alvast graag een chronologisch overzicht:

 

1 mei 2019

Vanaf deze datum zullen alle nieuwe op te richten vennootschappen en verenigingen automatisch onder het nieuwe vennootschapsrecht vallen.

Voor bestaande vennootschappen zal enerzijds de geschillenregeling tussen aandeelhouders, waaronder de uittrede en de uitsluiting voor de BV en de NV al onder de nieuwe bepalingen van toepassing zijn. Dit geldt voor de zaken die vanaf deze datum bij de rechtbank worden ingeleid. Lopende zaken die ingeleid werden voor 1 mei 2019 zullen nog behandeld worden onder de oude regelgeving.

Bestaande vennootschappen kunnen er voor kiezen om bij een statutenwijziging te bepalen of zij onder de nieuwe regelgeving vallen. Het nieuwe vennootschapsrecht zal dan van toepassing zijn vanaf het moment dat deze statutenwijziging gepubliceerd is. Het is belangrijk om te melden dat deze wijziging geldt voor de toepassing van het volledige nieuwe vennootschapsrecht. Je kan in je statuten dus in principe geen mix maken van het oude en het nieuwe vennootschapsrecht.

Voor een aantal bepalingen onder het nieuwe vennootschapsrecht heeft de koning nog de mogelijkheid om deze vervroegd (vóór 1 januari 2020) van toepassing te verklaren.

 

1 januari 2020

Alle nieuwe bepalingen zullen vanaf dan van toepassing zijn op alle vennootschappen, tenzij de statuten er in bepaalde gevallen van zouden afwijken. Het is van belang om bij een verschil tussen de statuten en de nieuwe wetgeving, na te gaan of de nieuwe toepasselijke bepaling dwingend of aanvullend is.

Is de bepaling dwingend, dan betekent dit dat de vennootschap in haar statuten hier niet van kan afwijken, ook al stond het voordien in de statuten. Wat in strijd is met deze nieuwe dwingende bepalingen wordt geacht ‘nooit geschreven’ te zijn. Je kan dus niet zomaar afgaan op wat er in je statuten geregeld staat.

Voorbeelden van dwingende regels zijn onder andere de regels inzake winstuitkeringen, de gewijzigde alarmbelprocedure, de gewijzigde belangenconflictprocedure, de gewijzigde uittredingsregels ten laste van het vermogen in de BV en in de CV, en het algemeen regime van de bestuurdersaansprakelijkheid.

Is de bepaling aanvullend, dan zal deze bepaling duidelijk melden dat de statuten er van kunnen afwijken. Bestaande afspraken in vroegere statuten blijven dan gelden of je kan in je nieuwe of gewijzigde statuten nog afwijkende regelingen voorzien.

Elke vennootschap moet vanaf nu bij de eerstvolgende statutenwijziging haar statuten aanpassen aan de nieuwe regelgeving, behalve wanneer het enkel gaat over de toepassing van het toegestane kapitaal, het uitoefenen van inschrijvingsrechten en de conversie van converteerbare obligaties.

Laat je statuten dus zeker goed screenen met het oog op de toepassing van de dwingende en aanvullende bepalingen.

Vanaf deze datum wordt tot slot in een automatische omvorming voorzien van het volgestort gedeelte van het kapitaal en de wettelijke reserve (van de BVBA en CVBA) naar een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening. Het niet gestort gedeelte wordt omgevormd in een eigen vermogensrekening ‘niet opgevraagde inbrengen’.

Voor de vennootschappen en verenigingen die verdwijnen onder de nieuwe wetgeving wordt een bijzondere regeling voorzien. Naargelang de rechtsvorm zullen bepaalde dwingende bepalingen van de (andere) vennootschapsvormen onder de nieuwe regelgeving van toepassing zijn op deze vennootschapsvormen.

 

1 januari 2024

Vanaf nu ben je best volledig in orde met de nieuwe wetgeving en meer bepaald met de omvorming van je vennootschap naar de juiste vennootschapsvorm. Indien dit niet gebeurd is, dan voorziet de wet een automatische omvorming als volgt:

  • de commanditaire vennootschap op aandelen wordt een naamloze vennootschap met een enige bestuurder
  • de landbouwvennootschap wordt een vennootschap onder firma en indien er stille vennoten zijn, een commanditaire vennootschap;
  • het economisch samenwerkingsverband wordt een vennootschap onder firma;
  • de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid wordt een vennootschap onder firma;
  • de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die niet aan de definitie van coöperatieve vennootschap in artikel 6:1 van het Wetboek beantwoordt, wordt een besloten vennootschap;
  • de beroepsvereniging en de federatie van beroepsverenigingen wordt een VZW.

Voor trage of onvoorzichtige bestuurders is er wel nog een respijttermijn voorzien. Zij kunnen tot 30 juni 2024 een algemene vergadering samenroepen om een correcte statutenwijziging en omvorming naar de juiste rechtsvorm te voorzien. Doen zij dat niet of te laat, dan zijn zij tegenover de vennootschap of derden persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die hieruit voortvloeit.

 

1 januari 2029

Voor de VZW en de IVZW is nog een aparte regeling voorzien: indien zij in hun statuten niets gewijzigd hebben, dan blijft tot 1 januari 2029 het voorwerp beperkt tot niet-winstgevende activiteiten. Pas na deze datum vervalt dit verbod op andere activiteiten.

Zij hebben er dus evengoed belang bij om tijdig hun statuten te wijzigen.

 

Statutenwijziging

Bij de NV blijven ongeacht de vorige data, de oorspronkelijke regels met betrekking tot de toebedeling van bevoegdheden aan het directiecomité en regels met betrekking tot het tegenstrijdig belang van toepassing tot de effectieve statutenwijziging.

 

Conclusie

Het nieuwe vennootschapsrecht sluipt stap voor stap in elke onderneming en het is van belang om tijdig na te kijken of de statuten en de rechtsvorm van je vennootschap of vereniging nog up-to-date zijn. De wetgeving wordt trapsgewijs dwingender en dwingender, waarbij uiteindelijk je aansprakelijkheid als bestuurder in het gedrang kan komen.

Maar uiteraard gaat het niet alleen over je eventuele aansprakelijkheid. De nieuwe wetgeving geeft aan aandeelhouders en bestuurders heel wat nieuwe mogelijkheden zodat het van belang is om na te kijken welke opportuniteiten het nieuwe vennootschapsrecht je kan bieden. Je moet dus zeker niet wachten op de trapsgewijze toepasselijkheidsregels van het nieuwe vennootschapsrecht, aangezien je er vandaag al alle voordelen uit kan halen.

 

Vragen over het nieuwe vennootschapsrecht?

Ben je benieuwd naar de mogelijkheden bij een statutenwijziging of wens je in de toekomst de noodzakelijke aanpassingen van je statuten te doen, neem dan gerust contact op met Roeland via roeland@siriuslegal.be.

14.05.2019 Bart Van den Brande

Coöperatieve vennootschap in het nieuwe WVV: enkel nog voor de échte coöperaties

In het kader van het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen lichten we hieronder een bijzondere vennootschap uit: de coöperatieve vennootschap. Deze vorm blijft behouden, maar de coöperatieve gedachte speelt voortaan een cruciale rol bij het bestaansrecht van de coöperaties. Bestaande coöperatieve vennootschappen die de coöperatieve gedachte missen, moeten zich omvormen naar de N.V. of de B.V.

 

Samen sterk

De coöperatieve gedachte zelf ligt aan de basis van het ontstaan van de coöperaties: vele kleine spelers verenigen zich in een collectieve zelforganisatie om tot schaalvoordeel te komen. De structuur werd succesvol uitgebouwd in de landbouwsector met veilingen, melkerijen en wijncoöperaties, maar ook in de financiële wereld met de Raiffeisenbanken. Auteurs verenigen zich in collectief beheer van hun rechten en consumenten werken samen met oog op samenaankoop. Vandaag zien we de samenwerkingsvorm nog terugkomen bij gezamenlijke energieproductie, korte keten-economie en zelfstandig samenwonen.

Coöperatieve vennootschappen werden ook voor andere doeleinden opgericht, los van de coöperatieve gedachte. De twee voornaamste redenen waren de mogelijkheid tot “vrije” toe- en uittreding van de vennoten, maar ook enkele fiscale gunstmaatregelen en vrijstellingen. Het gebruik van de coöperatieve vennootschap voor andere dan coöperatieve projecten was jarenlang voer voor discussie. Daar wilde men bij de herziening duidelijk vanaf.

 

Coöperatieve vennootschap

De vernieuwing van het Belgische vennootschapsrecht houdt ook een herschikking in van de vennootschapsvormen. Even werd gedacht aan de volledige afschaffing van de coöperatieve vennootschap, maar de rechtsvorm bleef uiteindelijk behouden, onder meer onder impuls van de Nationale Raad voor Coöperatie.

In het WVV verdwijnt de vroegere coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (CVOA) en blijft de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (CVBA) bestaan. Deze laatste wordt omgedoopt naar ‘coöperatieve vennootschap’ en wordt uitsluitend voorbehouden voor èchte coöperatieve samenwerkingsverbanden.

Coöperaties die louter werden opgericht met een winstgevend doel van de aandeelhouders, kunnen niet meer de vorm van een C.V. aannemen. Daarmee wil men dus komaf maken met het gebruik van de C.V. voor professionele vennootschappen van vrije beroepers. Het voornaamste doel van de C.V. moet bestaan in het voldoen aan de behoeften van haar aandeelhouders en/of de ontwikkeling van hun economische en sociale activiteiten. De C.V. kan zich bovendien laten erkennen als een sociale onderneming.

Het maatschappelijk doel, mét de coöperatieve gedachte, zal meer dan ooit een centrale rol spelen in het bestaan van de C.V. Het WVV voorziet in een mogelijkheid voor de aandeelhouders, het openbaar ministerie en iedere belanghebbende derde om de ontbinding van de C.V. te vorderen voor zover niet voldaan is aan deze voorwaarde.

 

Oprichting

Er verandert niets bijzonders aan de wijze van oprichting van een coöperatieve vennootschap. Er is nog steeds een minimum van drie oprichters vereist, en de mogelijkheid dat vennoten vrij in en uit kunnen stappen.  Een C.V. zal nietig zijn, wanneer niet aan het minimum van drie wordt voldaan. De oprichting moet ook nog steeds geschieden bij de notaris.

 

Voldoende aanvangsvermogen

Net zoals bij de B.V. valt ook bij de C.V. de vereiste van een minimumkapitaal weg. Daarentegen is het wel vereist dat de C.V. bij de oprichting over een eigen vermogen beschikt dat toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid. Het gaat om een voldoende aanvangsvermogen dat bestaat uit eigen middelen en eventueel achtergestelde leningen.

Dat het vermogen voldoende moet zijn, moet duidelijk blijken bij de oprichting en kan aan de hand van het financieel plan worden beoordeeld. Het idee van een toereikend vermogen volgt uit de algemene zorgvuldigheidsplicht van oprichters.

Wanneer het aanvangsvermogen niet duidelijk toereikend is voor de normale uitoefening van de activiteit en de C.V. gaat binnen de drie jaar failliet, kunnen de oprichters hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor de overeenkomsten van de vennootschap.

 

Vrij aandeelhouderschap

Het principe van de “vrije” toe- en uittreding van aandeelhouders blijft behouden. Coöperanten kunnen hun aandelen in principe vrij overdragen aan anderen of teruggeven. Zij zijn in principe enkel gehouden tot het bedrag van hun inbreng.

 

Wat als de coöperatieve doelstelling ontbreekt?

Voormalige CVBA’s waarbij de coöperatieve doelstelling ontbreekt, zoals bij de samenwerking tussen vrije beroepers, zullen moeten worden omgezet naar een B.V. Het WVV maakt het mogelijk om met de B.V. als basis en mits de nodige statutaire voorzieningen, een flexibel aandeelhouderschap te creëren. Aandeelhouders die willen uittreden kunnen in dat geval aanspraak maken op een scheidingsaandeel uit het vermogen van de B.V.

Voormalige CVOA’s zullen moeten kiezen voor de C.V., indien aan de voorwaarden voldaan werd, of voor de B.V., als die voorwaarden niet voldaan zijn. Als de rechtspersoonlijkheid géén noodzakelijke voorwaarde is voor de aandeelhouders, kan ook voor een maatschap worden gekozen. In dat geval kunnen de aandeelhouders gebruik maken van een ruime contractuele vrijheid.

 

Meer weten over het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen?

Contacteer ons gerust via info@siriuslegal.be of bel ons even op 02/721 13 00.

Dit artikel werd geschreven door Andries Hofkens die inmiddels Sirius Legal heeft verlaten.

06.05.2019 Bart Van den Brande

Enkele fiscale gevolgen van het nieuwe vennootschapsrecht

Het is zover, het nieuwe vennootschapsrecht is effectief in werking getreden. Dit heeft echter ook de nodige fiscale gevolgen. Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) vereist ook een aanpassing van enkele bepalingen van het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB), daar de wetgever de neutraliteit van het nieuwe wetboek op fiscaal vlak wil waarborgen. Hiervoor werd reeds een wetsontwerp gestemd in de Kamer (28 februari 2019) en werd eveneens een ontwerp van Decreet ingediend in het Vlaams Parlement. In dit artikel bespreken we de verschillende fiscale gevolgen van het nieuwe vennootschapsrecht.

 

Statutaire zetelleer

De belangrijkste impact heeft zonder twijfel de invoering van de statutaire zetelleer, dit in contrast met onze werkelijke zetelleer in het fiscaal recht.

Om neutraliteit te waarborgen na de wijziging van dit aanknopingspunt in het vennootschapsrecht, heeft de wetgever artikel 2 WIB als volgt aangepast: “De vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, wordt behoudens tegenbewijs vermoed daar ook haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer te hebben. Het tegenbewijs wordt enkel aanvaard indien er bovendien is aangetoond dat de fiscale woonplaats van de vennootschap in een andere Staat dan België is gevestigd volgens de fiscale wetgeving van deze andere Staat.

De wijziging in het vennootschapsrecht zorgt voor een breuk tussen de nationaliteit van een vennootschap en haar fiscale woonplaats. Men mag derhalve niet langer veronderstellen dat een vennootschap die onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting noodzakelijkerwijze ook onderworpen is aan het Belgische vennootschapsrecht. Voor de vennootschapsbelasting moet immers bij voortduur toepassing worden gemaakt van de werkelijke zetelleer. Als gevolg hiervan is een vennootschap die haar werkelijke zetel in België heeft, maar haar statutaire zetel in het buitenland, onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, terwijl ze onderworpen is aan het vennootschapsrecht van de buitenlandse staat.

Om rekening te houden met de discrepantie tussen de nationaliteit en de fiscale woonplaats van een vennootschap, bepaalt art. 2 WIB voortaan dat de vennootschap, die haar statutaire zetel in België heeft, vermoed wordt ook haar werkelijke zetel in België te hebben. Dit vermoeden zal weerlegbaar zijn om te vermijden dat de hervorming van het vennootschapsrecht op fiscaal vlak een “dubbele niet-residentie” teweeg brengt.

 

De afschaffing van het begrip kapitaal

Een andere fundamentele wijziging die het nieuwe WVV introduceert, betreft het feit dat enkel nog de NV over een kapitaal zal beschikken zoals we dat nu kennen. Vanaf nu spreken we van “vermogen” voor alle vennootschapsvormen, buiten de NV.

In het WIB wordt voor de NV het begrip maatschappelijk kapitaal kortweg vervangen door het begrip kapitaal, maar dit begrip zal steeds hetzelfde zijn als vermeld in het WVV. Voor de BV en de andere vennootschapsvormen die geen kapitaal meer zullen hebben, wordt het fiscale begrip kapitaal gedefinieerd als het eigen vermogen dat gevormd wordt door de inbrengen in geld en in natura, met uitzondering van de inbreng in nijverheid.

In de BV kan dit kapitaal gekwalificeerd worden als gestort kapitaal voor fiscale doeleinden wanneer het desbetreffende eigen vermogen op een afzonderlijke rekening van het passief wordt geboekt.

Het begrip volstort kapitaal blijft dus ongewijzigd, en is met name de inbreng die werkelijk werd volstort in geld of in natura, met uitzondering van de inbreng in nijverheid. De uitgiftepremies blijven ook inbegrepen (aan dezelfde voorwaarden als voorheen).

Dit alles heeft echter ook een invloed op mogelijk (belastingvrije) kapitaalverminderingen, de DBI-aftrek, herkwalificatie van interesten, de thin cap, de notionele interestaftrek, kapitaalsverhogingen en –verminderingen,…

 

Uitkering van dividenden

De vraag stelt zich hoe de inkomsten behandeld worden die uitgekeerd worden ter vergoeding van een inbreng in nijverheid. Dividenden die een vergoeding zijn van effecten die een inbreng in nijverheid vertegenwoordigen, zouden kunnen worden aanzien als een gewoon dividend (art. 18 WIB). Dit wil zeggen, roerende inkomsten die onderworpen zijn aan de roerende voorheffing. Maar het kan niet worden uitgesloten dat zij aanzien worden als beroepsinkomsten, daar zij verbonden zijn aan een professionele activiteit (art. 30 en 32 WIB).

Deze inbreng geeft in geen geval recht op het verlaagd tarief van de “VVPR bis” dividenden, omdat het niet om een inbreng in geld gaat.

Nieuw is echter ook dat het verlaagd tarief in de roerende voorheffing op dividenden voortaan niet langer onderworpen zal zijn aan de voorwaarde volgens dewelke vennootschappen zonder minimaal maatschappelijk kapitaal worden uitgesloten van het voordeel van de maatregel, tenzij na de inbreng van het nieuw kapitaal het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap minstens gelijk is aan het minimaal maatschappelijk kapitaal van een BVBA” (art. 269§2 WIB). Dit laat de BV namelijk toe om van het verlaagd tarief te genieten (het kapitaal moet echter nog steeds volledig gestort worden).

 

Nieuwe mogelijkheden omvorming vennootschappen

Het wetsontwerp brengt wijzigingen aan het WIB om rekening te houden met de nieuwe mogelijkheden die het wetsontwerp van het WVV voorziet voor de omvorming van vennootschappen.

We denken hierbij bijvoorbeeld aan de omvorming van een vennootschap in een vzw of aan de omzetting van een Belgische vennootschap in een buitenlandse vennootschap. In het laatste geval kan de reorganisatie ook gepaard gaan met de verplaatsing van de zetel naar het buitenland. Dit heet ‘fiscaal relevante emigratie’: de zetel van werkelijke leiding kan verschillend zijn van de statutaire/maatschappelijke zetel.

Het wetsontwerp zorgt niet voor substantiële wijzigingen aan de fiscale wetsbepalingen, maar streeft ernaar om de bewoordingen en het begrippenkader van het WIB in overeenstemming te brengen met die van het nieuwe WVV.

Net zoals voorheen blijft het uitgangspunt dat de wijziging van de rechtsvorm op zich een fiscaal neutrale handeling is. Dit betekent dat een belastingvrijstelling van toepassing is mits de omzetting gebeurt zonder onderbreking van de rechtspersoonlijkheid en in overeenstemming is met het rechtspersonenrecht dat de omzetting beheerst. Het is niet meer dan logisch dat bv. de omvorming van een NV in een BV (de rechtsopvolger van de bvba) niet leidt tot enige belastingheffing.

Indien daarentegen de wijziging van rechtsvorm gepaard gaat met de emigratie van de vennootschap en zij dus niet langer aan de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen wordt, zal dit fiscaal in principe wel als een vereffening beschouwd worden. Het wetsontwerp verandert dit niet.

De wijziging van de rechtsvorm kan er ook toe leiden dat een rechtspersoon de overgang maakt van de vennootschapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting. Dit kan o.m. het geval zijn indien een vennootschap wordt omgezet in een vzw of een stichting waarvan de ondernemingsactiviteiten dermate beperkt zijn dat de vzw of de stichting aan de rechtspersonenbelasting wordt onderworpen als gevolg van een wijziging van haar activiteiten.

Zoals je merkt is de fiscale impact van het WVV niet gering en dit ook zeker op het vlak van de Gewesten die momenteel ook het nodige aan het doen zijn om hun wetgeving aan te passen en deze zo fiscaal neutraal te maken.

Het nieuwe WVV was een absolute noodzaak om op internationaal vlak terug mee te spelen, doch de ruime implicaties ervan zijn, zoals steeds met grote wijzigingen, niet te onderschatten.

 

Vragen over de fiscale gevolgen van het nieuwe vennootschapsrecht?

We staan graag voor je klaar.  Neem vrijblijvend contact op met Dirk Bogaerts of een van de andere leden van ons team via dirk@siriuslegal.be of op +32 495 103 834

 
30.04.2019 Bart Van den Brande

De omschakeling naar de statutaire zetelleer en de nieuwe regels omtrent de grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing).

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bevat twee vernieuwingen die van groot belang zijn voor de ontwikkeling van internationale zakelijke activiteiten, namelijk:

  • de goedkeuring van de doctrine van “statutaire zetel” als een systeem voor het bepalen van het recht van toepassing op ondernemingen
  • een specifieke procedure voor de grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing) van ondernemingen.

Er bestaan twee theorieën over de bepaling van het toepasselijk vennootschapsrecht (lex societatis) in de Europese Unie: de theorie van de statutaire zetel (oprichting) en de theorie van de werkelijke zetel (centrale administratie of hoofdkantoor).

Overeenkomstig de “statutaire zetel”-leer worden rechtspersonen steeds beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied hun zetel volgens de statuten wordt gevestigd. Andere mogelijke aanknopingsfactoren, zoals de plaats van waaruit de vennootschap wordt geleid, de locatie van haar voornaamste productiefaciliteiten of de nationaliteit van haar voornaamste aandeelhouders spelen geen rol.

De “werkelijke zetel”-leer daarentegen houdt in dat een rechtspersoon wordt beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de voornaamste vestiging van de rechtspersoon zich bevindt, althans indien een derde er in slaagt te bewijzen dat deze voornaamste vestiging zich op een andere plaats dan de statutaire zetel bevindt.

In tegenstelling tot de situatie vóór de hervorming, waarbij het op een rechtspersoon toepasselijke recht kon gewijzigd worden ten gevolge van een verplaatsing van de werkelijke zetel van de vennootschap, zal het toepasselijke recht, thans na de hervorming, enkel wijzigen middels de procedure tot grensoverschrijdende omzetting.

 

De toepasselijke wet vóór de hervorming

Het Belgisch recht kende met de “werkelijke zetel”-regel een correctiemechanisme voor het geval waar een vennootschap een rechtsvorm koos, dat beheerst werd door het vennootschapsrecht van een jurisdictie waarmee het geen enkele feitelijke band had.

Het principe (in België) was dus dat een vennootschap (of vzw) werd beheerst door het recht dat de oprichters/aandeelhouders hadden gekozen tenzij er een afwijking was tussen het toepasselijke (gekozen) recht van de vennootschap of vzw en de realiteit van de activiteiten van deze vennootschap of vzw.

Deze werd enkel als problematisch beschouwd wanneer de voornaamste vestiging van de vennootschap (werkelijke zetel) zich in België bevond. Zulks betekende bijvoorbeeld dat een bedrijf zijn statutaire zetel in het buitenland ingeschreven kon hebben, maar dat in de praktijk het administratieve en beslissingscentrum van de vennootschap of vzw in België was gevestigd.

De “werkelijke-zetelleer”, verhinderde dat de oprichters, of later de aandeelhouders, een vennootschapsrecht kozen dat hen goed uitkwam, louter omdat de bescherming van derden er minder is (bijv. omdat er voor de toepassing van de bestuursaansprakelijkheid een hogere drempel geldt, omdat het bekomen van kwijting makkelijker is, omdat er minder dwingende regels zijn bij de vereffening of omdat aandelen aan toonder worden toegelaten).

 

Omschakeling naar de statutaire zetelleer in overeenstemming met de Europese rechtspraak

De rechtspraak van het Europese Hof van Justitie heeft een sleutelrol gespeeld bij de ontwikkeling van het recht op bedrijfsmobiliteit binnen de Europese Unie, met een brede interpretatie van het recht van vrije vestiging.

Een belangrijk gevolg van deze ontwikkeling is de aanzienlijke beperking van de reikwijdte van de “werkelijke zetel”-leer die traditioneel in België werd toegepast. Deze is trouwens alleen van toepassing op toepassing van het vennootschapsrecht. Er zijn bijvoorbeeld geen gevolgen voor fiscaal, sociaal, insolventie- of milieurecht.

In overeenstemming met deze rechtspraak en om meer internationale bedrijven aan te trekken heeft het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen een nieuw artikel geïntroduceerd dat in wezen zorgt voor de omschakeling naar de statutaire zetelleer.

De bepaling verduidelijkt immers dat vennootschappen, verenigingen en stichtingen enkel door de bepalingen van dit Wetboek kunnen worden beheerst indien zij hun statutaire zetel in België hebben.

Ingevolge de afschaffing van de “werkelijke zetelleer” vormt de statutaire zetel het enige intern-rechtelijk aanknopingspunt waaraan rechtspersonen moeten voldoen om aan de regels van dit wetboek te worden onderworpen.

De ligging van de statutaire zetel wordt via de geëigende wegen bekend gemaakt.

Zij kan reeds van bij de oprichting van de rechtspersoon in België zijn gelegen, wanneer deze naar Belgisch recht werd opgericht.

De statutaire zetel kan ook naderhand naar België worden verplaatst, waarbij vennootschappen gebruik moeten maken van de procedure tot grensoverschrijdende omzetting.

 

Nieuwe regels voor grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing) van hoofdkantoren van ondernemingen

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn de lidstaten verplicht een dergelijke verplaatsing van de statutaire zetel toe te staan. Volgens het recente arrest Polbud (arrest C-106/16 van 25 oktober 2017) wordt de omzetting van de statutaire zetel beschermd door het recht op vrije vestiging, ook als deze wordt geëxploiteerd zonder overdracht of verwerving van enige economische activiteit.

Een ander element van complexiteit vloeit voort uit de recente publicatie van een voorstel voor een Europese richtlijn van 25 april 2018, tot wijziging van Richtlijn 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende transformaties.

Voor de hervorming, de grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing) van het hoofdkantoor van een vennootschap was  al gebruikelijk, maar er ontbrak een wettelijk regime.

Vennootschappen konden ook gemakkelijk een onrechtstreekse grensoverschrijdende zetelverplaatsing organiseren, door gebruik te maken van een (wel wettelijk geregelde) grensoverschrijdende fusie waarbij zij worden overgenomen door een hiervoor opgerichte buitenlandse dochtervennootschap.

De nieuwe wet voorziet in een specifieke regelgeving die zowel de emigratie als de immigratie van bedrijven regelt. Daarbij horen ook beschermende maatregelen voor de schuldeisers en aandeelhouders van de betreffende onderneming, wat dit soort transacties zeker complexer zal maken.

In casu, bij emigratie uit België kunnen de vennootschapsschuldeisers een zekerheid eisen, wat dezelfde bescherming biedt als bij de kapitaalvermindering in een NV. Bij immigratie van een buitenlandse vennootschap in België zal het bewijs moeten worden voorgelegd dat aan de voorwaarden gesteld door het buitenlandse recht is voldaan (bv. certificaat van notaris of rechtbank) en zal een financiële staat in België moeten worden aangeleverd die inzicht geeft in de vermogenstoestand van de vennootschap op het moment van haar immigratie.De voorgestelde wettelijke regeling beschermt sta-keholders dus verregaand, terwijl naar huidig recht dergelijke waarborgen niet bestaan, ook al gebeurt de zetelverplaatsing zoals gezegd courant.

 

Conclusie

Volgens sommigen zou België met deze wetswijziging een belastingparadijs worden. Minister van Justitie Koen Geens is het daar niet mee eens.

De statutaire zetel is alleen van belang voor het vennootschapsrecht, niet voor de belastingwetgeving, die alleen naar de realiteit kijkt. Het is niet omdat een onderneming haar hoofdzetel heeft in Groot-Brittannië of Luxemburg, dat deze daarmee de Belgische belastingregimes kan ontwijken. Deze hervorming heeft geen fiscale gevolgen.

De gewijzigde regels rond toepasselijk vennootschapsrecht houden dus een omzetting in van eerdere, vaste Europese rechtspraak. Maar het roept ook een aantal vragen op, met name naar bepaalde antimisbruikmaatregelen die het liberalisme van het nieuwe systeem zouden kunnen tegenwerken.

Vragen over je vennootschap?

We staan graag voor je klaar.  Neem vrijblijvend contact op met Bart Van den Brande of een van de andere leden van ons team op bart@siriuslegal.be of op +32 486 901 931

23.04.2019 Bart Van den Brande

Nieuwe spelregels voor jouw VZW

Onze recente blogartikels behandelden reeds verschillende onderwerpen omtrent de recente wetswijzigingen voor vennootschappen. Op 1 mei 2019 treden echter ook aangepaste regels in werking voor verenigingen. De VZW-wetgeving in de wet van 1921 op de verenigingen en stichtingen wordt immers mee opgenomen in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: “WVV”). Naast deze codificatie werden ook enkele wijzigingen doorgevoerd. We overlopen graag even deze wijzigingen.

 

Oprichting

Voor de oprichting van een VZW moest je vroeger met z’n drieën zijn. Vanaf 1 mei 2019 zullen twee oprichtende leden volstaan.

De oprichtingsakte zal vanaf nu binnen de 30 dagen na de oprichtende algemene vergadering moeten worden neergelegd. Deze termijn is nieuw, want vroeger bestond er geen echte neerleggingstermijn. Ook voor de erkenning en overname van voorbereidende (rechts-)handelingen, gesteld in de aanloop naar de oprichting van een VZW, wordt de regeling strenger, want de termijn hiervoor wordt verkort van zes naar drie maanden.

 

VZW = Onderneming

De vereniging zonder winstoogmerk zal worden beschouwd als een “onderneming”. Dit is ongetwijfeld één van de belangrijkste en meest ingrijpende wijzigingen. De kwalificatie als onderneming heeft veel meer om het been dan enkel het label.

VZW’s kunnen voortaan failliet verklaard worden. Daar waar het faillissement vroeger weggelegd was voor “handelaars”, werd het insolventierecht op dat vlak gevoelig uitgebreid met de Insolventiewet van 11 augustus 2017 tot invoeging van Boek XX in het WER. Sinds vorig jaar werd het faillissement breder opengetrokken naar “ondernemingen”. VZW’s vallen hier binnenkort ook onder en kunnen dus het voorwerp uitmaken van een faillissement. Tot nog toe was dat niet het geval en kon er enkel sprake zijn van een “deficitaire vereffening”.

De voormalige “Rechtbank van Koophandel” werd reeds omgedoopt tot “Ondernemingsrechtbank” en zal onder meer ook bevoegd zijn voor het beslechten van geschillen tussen twee VZW’s.

 

Winst en winstoogmerk

De wetswijziging biedt ook een wettelijke verduidelijking en liberalisering van het begrip “winstoogmerk”. De VZW blijft weliswaar een “vereniging zonder winstoogmerk”, maar de nieuwe WVV verduidelijkt dat het de VZW’s voornamelijk verboden is om aan haar leden een “vermogensvoordeel” uit te keren. Met vermogensvoordeel wordt niet enkel een dividend of andere vorm van winstuitkering bedoeld, maar kan verschillende vormen aannemen. Wedden aan personeel of onkostenvergoedingen aan vrijwilligers blijven wel mogelijk binnen de geldende normen.

De wetswijziging is minder ingrijpend dan het op het eerste zicht lijkt. Het verbod op winstuitkering bestond vroeger ook al. En hoewel er tevens een verbod werd voorzien op het voeren van handel en nijverheid, gaf Cassatierechtspraak uit 1935 reeds dat dergelijke activiteiten wél toegelaten waren voor zover deze steeds het belangeloos doel van de VZW ondersteunden.

 

Bestuur en Administratie

De VZW zal onder de nieuwe WVV op een gelijkaardige wijze bestuurd worden als daarvoor. De Raad van Bestuur beraadslaagt collegiaal en heeft het recht om periodiek kwijting te vragen voor haar bestuur. Bestuurders mogen thans wél woonplaats kiezen op de zetel van de VZW voor de uitoefening van hun mandaatsactiviteiten.

De bestuursaansprakelijkheid blijft grotendeels ongewijzigd: bestuurders zijn jegens de VZW enkel aansprakelijk voor zover hun handelingen en beslissingen het gedrag van een normaal, voorzichtig bestuurder in gelijkaardige omstandigheden kennelijk te boven gaan. De WVV voert wél een nieuwe hoofdelijkheid in het leven lastens de bestuurders en ten gunste van zowel de VZW zelf als derden. Deze hoofdelijkheid zal gelden wanneer het bestuur een overtreding begaat op de statuten of de WVV, zelfs wanneer het bestuur géén college vormt.

Minder ingrijpend, maar evenzeer een aandachtspunt is de verplichting van VZW’s om zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De registratie mag dan wel verplicht zijn, voor VZW’s is deze kosteloos.

Daarnaast voert de nieuwe WVV verschillende wijzigingen door omtrent de verenigingsadministratie. Waar iedere VZW op de zetel een papieren ledenregister diende bij te houden, mag dat voortaan ook elektronisch. De rechten en plichten van de leden moeten wel steeds statutair worden vastgelegd en mag zulks niet meer in een “huishoudelijk reglement” of een ander niet-statutair document.

Een VZW handelt via haar organen. Contracten sluiten kan dus enkel bij optreden van haar bestuurders en vertegenwoordigers en binnen de grenzen van hun vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat is niet nieuw. Maar bij de vertegenwoordiging naar buiten toe moeten de bestuurders erover waken dat alle contracten, akten en stukken die de VZW moeten binden, tevens melding maakt van de hoedanigheid van vertegenwoordiging van alle ondertekenaars.

 

Fusies, overnames en splitsingen

De oude wetgeving voorzag geen regeling voor fusies, overnames en splitsingen van VZW’s met andere rechtspersonen. Indien er zich toch een dergelijke casus voordeed, moest dit op een eerder organische manier afgehandeld worden.

Aandelentransacties met een VZW als voorwerp zijn om evidente redenen niet mogelijk. Concentraties van VZW’s moeten noodgedwongen verlopen via een overdracht of inbreng van vermogen of vermogensbestanddelen. De WVV voorziet thans wél in een regeling van tegenstelbaarheid aan derden. Inbreng van vermogen moet worden gepubliceerd in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad, overdracht van onroerende goederen moet worden overgenomen in het hypotheekregister en voor immateriële activa moet de betrokken registratie worden aangepast.

De omzetting van VZW’s naar internationale VZW’s (of “IVZW”) of naar coöperatieve vennootschappen wordt ook mogelijk gemaakt.

Behoudens de mogelijkheid tot faillissement werd weinig gewijzigd aan de regels omtrent vereffening en ontbinding. De wetgeving voorziet thans wel in een zogenaamde “ééndagsvereffening”, waarbij de vereffening in één akte kan worden behandeld. In dat geval moeten alle schulden vereffend zijn, er mag geen vereffenaar aangesteld zijn en alle leden moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de algemene vergadering en de vereffening unanimiteit goedgekeurd hebben.

 

Inwerkingtreding

De WVV treedt in werking op 1 mei 2019. Vanaf dan zal iedere oprichting van nieuwe VZW’s dienen te verlopen volgens de nieuwe regels.

Voor bestaande VZW’s zal de nieuwe wetgeving pas van toepassing worden op 1 januari 2020. Zij krijgen wel nog tot 1 januari 2024 de tijd om hun statuten in overeenstemming te brengen met de WVV.

 

Advies nodig bij de opstart, het bestuur of de omvorming van jouw VZW? 

Contacteer ons gerust via mail (info@siriuslegal.be) of telefoon (02/721 12 00).

Dit artikel werd geschreven door Andries Hofkens die inmiddels Sirius Legal heeft verlaten.

1 2