Blog

27.04.2012 Bart Van den Brande

De Nieuwe Anti-Misbruik Bepaling

Het nieuwe artikel 334, §1 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB/92) is er. Deze moet de vorige versie vervangen, die in zeer vele gevallen niet bruikbaar bleek. De grootste kritiek op de oude regeling was dat de herkwalificatie van een akte, of meerdere akten als tot gelijksoortige rechtsgevolgen aanleiding diende te geven. In de praktijk bleek dit schier onmogelijk, aan één akte kan je meestal maar één kwalificatie toekennen. Dit blijkt het best uit volgend voorbeeld: een vruchtgebruik is een zakelijk recht en kan bezwaarlijk geherkwalificeerd worden in een huur, wat geen zakelijk recht is.

Het nieuwe artikel 344,§1 WIB/92 luidt nu als volgt:

Ҥ 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1. Een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of

2. Een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.

Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.

Ook de registratie- en successierechten krijgen een nagenoeg identieke bepaling. Op het gebied van de registratie- en successierechten wordt een op enkele details na, een identieke regeling ingevoerd (art. 18, § 2 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, dat via verwijzing in art. 106 van het Wetboek van successierechten eveneens in het kader van de successierechten van toepassing is). Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de nieuwe bepaling niet alleen in de economische sfeer van toepassing is, doch ook in de privésfeer.

 

Welke wijzigingen?

Er wordt niet langer de niet-tegenstelbaarheid van de ‘juridische kwalificatie’ die aan een ‘akte’ gegeven wordt beoogd, doch de niet-tegenstelbaarheid dient te slaan op de rechtshandeling zelf, of op het geheel van rechtshandelingen.

Dit heeft te maken met de rechtspraak van het Hof van Cassatie die vereist dat de nieuwe kwalificatie ‘gelijksoortige’ gevolgen heeft. Uit de praktijk is gebleken dat het bijna onmogelijk is om bij een herkwalificatie tot gelijksoortige rechtsgevolgen te komen indien de verrichting tot stand is gekomen middels één akte. “Aan één akte kan immers zelden meer dan één kwalificatie worden gegeven”. Om dit probleem voortaan te vermijden, kiest de regering nu voor een ‘niet-tegenstelbaarheid’ van de ‘rechtshandeling’ zelf.

De rechtshandeling zal niet aan de Administratie tegenstelbaar zijn, als de Administratie op objectieve wijze aantoont dat er sprake is van ‘fiscaal misbruik’. Dit bewijs kan geleverd worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, de eed uitgezonderd. Het bewijs kan dus ook op basis van vermoedens geleverd worden. Volgens het ontwerp van memorie van toelichting veronderstelt dit “dat de Administratie vanuit feiten die zij als voldoende rechtsgeldig vaststelt, het onbekende feit zal vaststellen dat ze moet bewijzen, te weten de totstandkoming van een verrichting tot vernietiging van de belasting”.

Nog volgens het ontwerp van memorie van toelichting beoogt het “begrip ‘geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt’ eveneens de kunstmatige opsplitsing van een verrichting in opeenvolgende akten die op een langere periode dan een aanslagjaar betrekking heeft en dus niet alleen indien zij binnen hetzelfde aanslagjaar vallen”. Als de rechtshandelingen aldus over vele jaren worden gespreid, zal de Administratie toch de antimisbruikbepaling ‘nieuwe stijl’ kunnen toepassen als ze de eenheid van bedoeling tussen de akten aantoont. Daartoe moeten de opeenvolgende handelingen een reeks handelingen zijn die van meet af aan zijn opgevat als behorend tot een ondeelbare keten.

 

Fiscaal Misbruik

In de nieuwe algemene antimisbruikbepaling wordt misbruik gedefinieerd als  “de belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen kiest die hem [toelaten] zich in een toestand te plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving”. Dergelijk “handelen kan zich onder twee vormen voordoen : door zijn vormkeuze stelt de belastingplichtige zich buiten de letter van een belasting vermeerderende bepaling of brengt hij zich binnen het toepassingsgebied van een belasting verminderende bepaling”.

Vandaar dat in de voorgestelde wettekst de twee volgende vormen van ‘misbruik’ uitdrukkelijk omschreven worden :

1.  het tot stand brengen van een verrichting waarbij de belastingplichtige “zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van het wetboek inkomstenbelastingen of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst”

2.  het tot stand brengen van een verrichting “waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van het wetboek inkomstenbelastingen of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft”

In beide gevallen dient er dus sprake te zijn vaneen strijdigheid met de ‘doelstellingen’ van de betrokken wetsbepaling. Doel en strekking van de betreffende wetsbepaling moeten “geschonden” zijn, als een bepaalde rechtshandeling niet belast zou worden, of een rechtshandeling ertoe zou leiden dat een bepaald fiscaal voordeel genoten wordt.

Blijft natuurlijk de vraag wat wel of niet het doel en de strekking van de betreffende wetsbepaling is. We kunnen ons voorstellen dat hierover in de rechtspraak nog de nodige discussies zullen volgen.

De  memorie van toelichting lijkt aan de strijdigheid met de “doelstellingen van de fiscale wetgeving” een ruime draagwijdte te willen geven. Hier luidt het, dat deze strijdigheid begrepen moet worden “in het licht van het begrip volstrekt kunstmatige constructie” (zoals dit begrip in de context van de BTW al langer bekend is). Volgens het ontwerp is er sprake van een “volstrekt kunstmatige constructie” wanneer de verrichting “niet de economische doelstellingen onderliggend aan de fiscale wetgeving nastreeft of geen verband houdt met de economische werkelijkheid, of niet aan commerciële of financiële marktvoorwaarden plaatsvindt”. Nog volgens de memorie van toelichting gaat het “met andere woorden om rechtshandelingen die alleen worden uitgevoerd om belastingen te ontwijken”.

 

Het bewijs van het misbruik

Volgens de nieuwe antimisbruikbepaling moet de Administratie “aan de hand van objectieve omstandigheden” en met de bewijsmiddelen die haar fiscaal ter beschikking staan, aantonen “dat er sprake is van fiscaal misbruik”. En is het vervolgens aan de belastingplichtige om aan te tonen dat zijn keuze verantwoord is “door andere motieven”, zelfs persoonlijke motieven, dan het ontwijken van de belasting. Deze twee onderdelen van de bewijslast, worden enerzijds de ‘objectieve’ en anderzijds de ‘subjectieve’ component genoemd.

Worden geviseerd:

* “rechtshandelingen waarbij de belastingplichtige naar een zuiver fiscaal voordeel [streeft]”;

* “rechtshandelingen waarbij de niet-fiscale motieven in niets specifiek zijn voor de betrokken verrichting, maar integendeel zo algemeen zijn dat ze noodzakelijkerwijs aanwezig zijn bij elke verrichting van hetzelfde type”

* “rechtshandelingen waar de niet-fiscale motieven weliswaar specifiek zijn voor de betrokken verrichting, maar een dermate beperkt belang hebben dat een redelijk persoon de verrichting niet zou realiseren omwille van dit ‘niet-fiscale’ motief”.

 

Gevolgen

Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, wordt  “de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld, dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.

Vraag die we dan kunnen stellen is of dit herstel wel een sanctie is. Indien de fiscus bepaalde handelingen niet ziet heeft men het belastingvoordeel, ziet ze het wel, ben je nog altijd niet slechter af.

20.04.2012 Bart Van den Brande

De fiscale gevolgen van het aanbieden van spelen en weddenschappen in de media

Gisteren kondigden De Tijd en De Standaard aan dat nagenoeg elk Belgisch mediabedrijf een aanzienlijke aanslag heeft ontvangen m.b.t. de belasting op spelen en weddenschappen op de spelletjes die zij organiseren.

 

Hoe zit deze belasting nu juist in mekaar?

De beginselen van onze belasting op spelen en weddenschappen zijn terug te vinden in de wet van 28 augustus 1921 houdende de invoering van nieuwe fiscale middelen. De belasting op spelen en weddenschappen werd vooral ingevoerd om een extra bron van inkomen te bezorgen aan de Belgische staat en dit hoofdzakelijk door de weddenschappen bij paardenrennen en de casinospelen te belasten.

Anno 2010 diende de wetgever samen met de marktspelers vast te stellen dat de wetgeving niet meer aangepast is aan deze tijd en vooral niet aan de spelen en weddenschapen die nu via communicatiemiddelen worden aangeboden die in 1921 ondenkbaar waren, denken we maar SMS, internet of zelfs de rode knop van de afstandbediening van het televisietoestel.

De fiscale administratie heeft het dus nodig geacht de lacunes en onvolkomenheden in de wetgeving aan te vullen en te interpreteren. Dit is gebeurd in de circulaire nr. E.T. 109.696 dd. 12.11.2009 wat betreft de BTW en de circulaire nr. IR/IV-4/91.638 dd. 10.11.2009 wat betreft de belasting op spelen en weddenschappen.

 

Dubbele belasting

Wat was nu juist het probleem. Stel ik neem via sms deel aan een spel waarmee ik een prijs kan winnen. Ik zal op mijn factuur van de telecomoperator de prijs voor de deelname vinden, waarop BTW aan het gewone tarief van 21% word aangerekend. Als we dit in detail gaan bekijken merken we dat dit niet correct is. Artikel 44, §3, 13° W. BTW stelt de weddenschappen, loterijen en andere kansspelen immers vrij van BTW. Artikel 43 van het wetboek van de met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen (W.I.G.B). onderwerpt de spelen en weddenschappen net aan de belasting op spelen en weddenschappen. Het gevolg van dit alles is dat er een dubbele belasting werd geheven (btw heffing op een som die reeds onderworpen was aan de belasting op spelen en weddenschappen).

Daarnaast diende opgemerkt te worden dat de facturatiestroom niet langer de juridische verhouding tussen partijen weergaf, doch meer de financiële verhouding tussen partijen.

Partijen in deze zijn:

 de consument: hij die deelneemt aan het spel
 de telecomoperator
 de facilitator: de tussenpersoon die zijn infrastructuur ter beschikking stelt voor het beheer en de afhandeling van de communicatie
 de organisator of content provider: hij die daadwerkelijk het spel organiseert of de inhoud ervan aanlevert.

Vanuit het standpunt van de consument lijkt het alsof de telecomoperator de content provider is, wat helemaal zo niet hoeft te zijn.

De facilitator als tussenpersoon factureert aan de telecomoperator het bedrag dat hij aanrekent voor zijn diensten, terwijl hij zijn diensten echter verstrekt aan de content provider.

De “BTW circulaire” – Circulaire nr. E.T. 109.696 dd. 12.11.2009

De BTW circulaire legt eerst en vooral een omdraaiing van de facturatiestroom op.

De telecomoperatoren worden vervolgens verzocht om voortaan enkel en alleen de meerkost die zij eventueel aanrekenen aan de speler boven de prijs van de content te factureren met BTW. Het bedrag van de content dat door de telecomoperator geïnd wordt voor rekening van de content provider wordt nog echter afzonderlijk vermeld op de factuur (“below the line”).

De “Circulaire op spelen en weddenschappen” – de circulaire nr. IR/IV-4/91.638 dd. 10.11.2009

Het artikel 43 van het W.I.G.B. bepaalt dat de belasting geheven wordt op het “brutobedrag van de sommen ingezet”. Wat is nu juist dit brutobedrag? In een casino is dit duidelijk, bij de paardenrennen ook. Het wordt al veel minder duidelijk als ik een “inzet” plaats via sms. Wat is dan mijn inzet? De totale kostprijs van de sms of de prijs van de sms minus de kost van de telecommunicatie?

De Circulaire op spelen en weddenschappen probeert hier een antwoord op te geven. Het antwoord is meteen duidelijk. Onder het brutobedrag dient begrepen te worden in zijn meest ruime betekenis, namelijk de sommen die door spelers worden gewaagd als de sommen die ze uitgeven om er aan deel te nemen.

Een simpele toepassing van dit principe gaf in het verleden eveneens aanleiding tot dubbele belasting. De telecommunicatiedienst is onderworpen aan een BTW-tarief van 21%. Indien dit bedrag deel uitmaakt van de inzet zal hier nogmaals de belasting op spelen en weddenschappen dienen geheven te worden.

De Circulaire op spelen en weddenschappen stelt nu duidelijk dat de “meerkost” van de telecommunicatie, zijnde het bedrag dat lastens de deelnemer wordt aangerekend door de telecomoperator als telecommunicatiekost afgetrokken mag worden ter berekening van de belastbare basis voor de belasting op spelen en weddenschappen. Deze meerkost verschijnt “above the line” op de factuur die de consument ontvangt van de telecomoperator.

Wat indien deze meerkost door de telecomoperator niet aan de speler, doch aan de facilitator of aan de organisator van het spel aangerekend wordt? Dit blijft ook vandaag nog onduidelijk; het zou zeker wenselijk zijn dat in dat geval de administratie eveneens de aftrek van een bepaald (eventueel forfaitair vastgesteld) bedrag aanvaardt voor de berekening van de belastbare basis.

Daarnaast voert de Circulaire op spelen en weddenschappen ook het zogenaamde “serverakkoord” in. Dit serverakkoord moet de administratieve afhandeling aanzienlijk vergemakkelijken. Waar er voorheen een voorafgaande aanvraag diende te gebeuren bij de Gewestelijk directeur en een 2-maandelijkse aangifte en betaling van de verschuldigde belasting alsook het uitreiken van tickets zal het serverakkoord de afzonderlijke aanvraag niet langer noodzakelijk maken en het uitreiken van tickets wordt nu overbodig door een online toegang van de fiscus tot de server van de organisator.

 

Circulaire?

Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat beide circulaires “uitgiftes” zijn van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze circulaires zijn een interpretatie van de fiscale administratie aan het bestaande BTW wetboek en het W.I.G.B.

Daarnaast regelt de Circulaire op de spelen en weddenschappen een gewestmaterie. Sinds de Bijzondere wet van 16 januari 1989 is de belasting op de spelen en weddenschappen een gewestbelasting en zijn het dus de Gewesten die instaan voor de bepaling van de tarieven. Het Waals Gewest echter heeft zelfs verkozen om vanaf 2010 in te staan voor de inning ervan. Vraag rijst in welke mate de Gewestelijke ambtenaren gebonden zijn door een Federale circulaire.

 

Tarieven

De tarieven voor online kansspelen bedragen in Vlaanderen en Wallonië 11% op de brutomarge (inzetten minus uitbetaalde sommen). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen deze 15%.

 

Nog vragen?

Bel of mail gerust met Bart Van den Brande op bart@siriuslegal.be of +32 492 249 516 of boek hier meteen een vrijblijvend online kennismakingsgesprek in met Bart via Google Meet of Zoom.
Partner Sirius Legal

20.03.2012 Bart Van den Brande

Opgelet bij mediaspelen en wedstrijden: het begrip kansspel wordt breed geïnterpreteerd.

De kansspelcommissie publiceerde zopas onderstaande tekst op haar website, waarin zij er nogmaals op wijst dat mediaspelen of wedstrijden ook kansspelen kunnen zijn van zodra er betaald moet worden om deel te nemen.  Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer men deelneemt via een betalende sms.  Vanzelfsprekend geldt dit enkel voor die spelen waar winst of verlies afhangen van het toeval en niet van de kennis of behendigheid van de deelnemer.

Aangezien men voor het organiseren van kansspelen over een vergunning dient te beschikken, is het opzetten van zulke betalende kansspelen verboden en kan dit bestraft worden met aanzienlijke boetes.  Zulke boetes worden ook met regelmaat effectief opgelegd.  Voorzichtigheid is dus geboden.

De kansspelcommissie verduidelijkt in onderstaand bericht nu ook dat het niet volstaat om een gratis versie van het spel aan te bieden om aan de kwalificatie van kansspel te ontsnappen.  Het is niet voldoende om naast de betalende deelname per sms ook een gratis deelname via een website te voorzien. Ook in dat geval blijft er volgens de commissie sprake zijn van een (verboden) kansspel.

Dit is van erg groot belang voor iedereen die mediaspelen of promotionele wedstrijden opzet.  Er moet immers steeds rekening gehouden worden met het gevaar dat zulke wedstrijden als kansspel gekwalificeerd worden en in dat geval stelt men zich bloot aan aanzienlijke boetes.   Enerzijds het toeval uitsluiten via een vraag die kennis of behendigheid vereist en anderzijds zo mogelijk betalende (in welke vorm ook) deelname uitsluiten blijft de boodschap.

Wie meer informatie wil, kan hieronder het ganse artikel van de Kansspelcommissie lezen of kan op 30 maart as., om 12u00 terecht in onze kantoren voor ons gratis in house seminarie over reclamerecht, waar we specifiek over wedstrijden en mediaspelen zullen  spreken.  Inschrijven kan nog steeds via mail op info@siriuslegal.be.  Alle details over ons seminarie vindt u op www.siriuslegal.be/siriusfriday

De tekst van de Kansspelcommissie:

Een spel waarbij men de keuzemogelijkheid heeft om al dan niet betalend deel te nemen is een kansspel indien alle andere constitutieve elementen aanwezig zijn.

 

  1. 1.        Over welke spelen gaat het?

Het betreft spelen waarbij alle constitutieve elementen van een kansspel aanwezig zijn maar waarbij de deelnemer de keuze heeft tot het al dan niet betalend deelnemen. Met andere woorden, de inzetvereiste is niet in hoofde van alle deelnemers aanwezig.

Voorbeeld : men kan zowel deelnemen aan een spel per sms (meestal 1 à 2 euro per sms) of via inschrijving op de website (gratis).

 

  1. 2.        Is er sprake van een kansspel?

Strikte interpretatie strafwet

De Kansspelwet is een bijzondere strafwet en moet daarom restrictief worden geïnterpreteerd.

De kansspelcommissie is belast met de uitvoering op de controle van de kansspelwetgeving als bijzondere strafwetgeving. Het louter aanbieden van een gratis alternatief om niet langer van een kansspel te spreken, kan het ganse vergunningsbeleid van de kansspelcommissie uithollen. Dit is nooit de bedoeling van de strafwetgever geweest. Integendeel de exploitatie van kansspelen vereist een vergunning.

Artikel 4, §1 van de Kansspelwet bepaalt het volgende : “Het is eenieder verboden om, zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie overeenkomstig deze wet toegestaan en behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald, een kansspel of kansspelinrichting te exploiteren, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook.”

Conform artikel 2.2°, van de Kansspelwet is exploiteren het in werking stellen of houden, installeren of instandhouden van één of meerdere kansspelen.

Een doctrinaire uitzondering voorzien voor spelen waarbij de beoordeling van de inzetvereiste plots afhankelijk wordt gesteld van de al dan niet aanwezigheid van een gratis aanbod is een te  een brede interpretatie van de Kansspelwet. Dergelijke interpretatie kan bovendien ook de deur openzetten voor misbruiken en zet achterpoortjes open om de Kansspelwet te omzeilen.

Daarom wordt voorgesteld om de beoordeling van het (kans)spel te laten afhangen van de al dan niet aanwezigheid van een inzet (of de mogelijkheid om in te zetten). Afhankelijk van het feit of iemand al dan niet betaald heeft, kan het spel in zijnen hoofde als een kansspel worden beschouwd. Op die manier worden spelers die wél hebben betaald, beter beschermd en kunnen zij terugvallen op de Kansspelwet. Anderzijds kan de betalende speler, die wetens en willens deelneemt aan een kansspel, in bepaalde gevallen zelf bestraft worden.

 

  1. 3.        Conclusie

Om misbruiken in de toekomst te vermijden, kan het aangewezen zijn een kansspel te beoordelen vanuit het standpunt van de ‘inzet’. Indien alle andere constitutieve elementen van een kansspel aanwezig zijn (toeval/winst en verlies), wordt een spelmogelijkheid beschouwd als een kansspel van zodra men een inzet doet. Eenzelfde soort spel kan in dat geval beschouwd worden als geen kansspel in hoofde van een deelnemer die gratis heeft deelgenomen. Met andere woorden men exploiteert een kansspel in hoofde van deze deelnemer als deze deelnemer hiervoor dient te betalen.

De aanbieder van kansspelen die een gratis alternatief voorziet (ook al is dit alternatief toegankelijk, gelijkwaardig en universeel), zal voor zijn betalend aanbod aan de regels van de Kansspelwet worden onderworpen.

Deze regeling beperkt zich niet tot mediaspelen maar geldt voor het aanbod van alle mogelijke kansspelen : het aanbieden van een gratis alternatief betekent geenszins dat men geen kansspelen exploiteert.

 Terug naar het voorbeeld : diegene die per sms deelnam aan het spel, heeft een inzet betaald en neemt dus deel aan een kansspel; de organisator van het spel is exploitant van een kansspel en is dus onderworpen aan de regels van de Kansspelwet.

 Overeenkomstig artikel 4, §§ 1 en 2 van de Kansspelwet is het eenieder verboden om zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie kansspelen te exploiteren en is het eenieder verboden om deel te nemen aan een illegaal kansspel, de exploitatie ervan te vergemakkelijken of ervoor reclame te maken. Spelers kunnen beboet worden met een straf van 26 euro tot 25.000 euro (vermenigvuldigd met opdecimen). Voor organisatoren worden deze bedragen vastgelegd op 100 euro tot 100.000 euro (vermenigvuldigd met opdecimen).

09.03.2012 Bart Van den Brande

Werknemers gedeeltelijk betalen in (fiscaal aantrekkelijke) auteursrechten: de fiscus verduidelijkt

Dit artikel werd gepubliceerd op 21/6/2012, maar werd geactualiseerd op 9/3/2020

Het is inmiddels 12 jaar geleden dat in België een fiscaal aantrekkelijk regime voor auteursrechten werd ingevoerd.  Sedertdien kan een deel van de vergoeding die betaald wordt voor creatieve scheppingen uitbetaald worden als auteursrechten, waardoor deze onderworpen is aan een erg voordelige roerende voorheffing.

Hoewel de regeling inmiddels 12  jaar in werking is, moeten we vaststellen dat enerzijds heel wat (werknemers van) bedrijven die er potentieel hun voordeel mee kunnen doen de regeling niet kennen en dat anderzijds nog steeds een aantal onduidelijkheden blijven bestaan over de precieze draagwijdte van dit fiscale regime.

Een circulaire van de Algemene Administratie Fiscaliteit brengt wat bijkomende verduidelijking over de grenzen van het toelaatbare voor de fiscus.

 

Waarover gaat het precies?

Sinds de wet van 30 juli 2008 zijn inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten (de definitieve of tijdelijke overdracht van auteursrechten) onderworpen aan een roerende voorheffing van 15% in plaats van aan de gewone schalen van de inkomstenbelasting of aan de vaste aanslagvoet voor toevallige inkomsten. Dit betekent dat de “auteur” die in auteursrecht betaald wordt potentieel een erg interessant belastingvoordeel kan doen.

 

Auteursrechtelijke creatie?

Het regime van de roerende voorheffing geldt voor alle natuurlijke personen die auteursrechtelijk beschermde creaties creëren en de rechten daarop tijdelijk of definitief overdragen aan een derde (werkgever, opdrachtgever, …) tegen vergoeding.

Het kan dan natuurlijk gaan om kunstenaars, schrijvers, schilders, beeldhouwers, designers, creatieve beroepen of om bijvoorbeeld journalisten en copywriters.

Maar ook in de IT sector liggen uitgebreide mogelijkheden voor developers van software, apps, games, voor creatieven in de reclamesector, voor heel wat zelfstandige consultants in verschillende sectoren, voor architecten en voor iedereen wiens  wiens creatie voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.

Zodra dit het geval is kunnen zelfstandigen of werknemers in deze beroepscategorieën in plaats van uitsluitend loon of zelfstandige vergoeding te ontvangen van hun werkgever, opdrachtgever of klant, zich gedeeltelijk in auteursrechten laten uitbetalen en aldus genieten van de lage roerende voorheffing van 15%.

 

Welke bedragen komen in aanmerking?

De wet voorziet in jaarlijkse plafonds van bedragen die voor de 15% voorheffing in aanmerking komen.

Het totale maximale bedrag van inkomsten die als auteursrecht kunnen ingebracht worden is (voor 2020 geïndexeerd) 62.090 euro.

De wet staat toe dat van deze bruto-inkomsten de beroepskosten worden afgetrokken om het nettobedrag van de auteursrechtelijke inkomsten te bepalen.  Deze forfaitaire kostenaftrek is als volgt vastgelegd:

  • 50% op de eerste inkomstenschijf van 16.560 euro (voor 2020)
  • 25% op de volgende schijf van 16.500 euro
  • Geen forfaitaire aftrek voor bedragen boven 31.110 euro

Op de overblijvende bedragen is 15% roerende voorheffing verschuldigd (die door de uitbetaler van de rechten vanzelfsprekend dient ingehouden te worden).  Alle bedragen boven de drempel worden belast als beroepsinkomsten of als toevallige inkomsten.

Ter illustratie: wie in 2020 30.000 euro aan auteursrechten verdiende betaalt daarop uiteindelijk 9,18% of 2.754 euro roerende voorheffing (15% op het bedrag na aftrek van beroepskosten).  De gemiddelde aanslagvoet in de inkomstenbelasting is een goede 33% of een verschil van ruw geschat 7.000 euro op de 30.000 euro uit het voorbeeld!

 

Voorzichtigheid is geboden

De wetgever heeft bij dit alles vanaf het begin duidelijk gemaakt dat het niet de bedoeling is dat vergoedingen die vroeger als beroepsinkomsten uitbetaald werden nu plotseling massaal geherkwalificeerd worden als auteursrechten.  Bedrijven, werknemers of zelfstandigen die gebruik willen maken van de regeling dienen dus goed beslagen op het ijs te komen en vooraf de nodige audits te maken van hun situatie en van de mogelijkheid om het systeem op een correcte manier en conform de wet en de vereisten van de fiscale overheden te implementeren.

Niettemin is het in se perfect mogelijk om de hierboven vermelde categorieën van creatieve werknemers of zelfstandigen een aardig en perfect legaal belastingvoordeel te bezorgen.

 

De fiscus verduidelijkt: een uitsplitsing tussen loon en auteursrecht is vereist

Zoals in de inleiding bij dit artikel gezegd werd, is de rechtspraak over toepassingen van deze regeling eerder schaars.  Ook naar circulaires en rulings van de administratie is het lang zoeken.

Eén ruling uit 2009 (ruling 900.053, 10 november 2009) maakte al duidelijk dat als een zelfstandige één globale vergoeding ontvangt voor zijn geleverde diensten, de belastingen ervan uit gaan dat hij géén auteursrechtelijke vergoeding ontvangt en dat hij zijn auteursrechten gratis (of niet?) heeft overgedragen.  Het gevolg is dat de ganse vergoeding dan als beroepsinkomsten beschouwd wordt en het belastingvoordeel voor de zelfstandige in kwestie verloren gaat.

Een recente circulaire van 21 mei 2012 (Ci.RH.231/605.842) bevestigt hetzelfde principe voor werknemers.  De administratie herhaalt eerst nog eens zeer duidelijk dat er sprake moet zijn van een auteursrechtelijk beschermbare schepping én van een duidelijke intentie tot tijdelijke of blijvende overdracht daarvan (cessie of concessie).  Daarna verduidelijkt de administratie dat in elk geval in de arbeidsovereenkomst ook een uitsplitsing gebeurd moet zijn tussen loon en auteursrecht, bij gebreke waaraan het voordeel verloren gaat.

 

Blijvende gevoeligheden

Enkele aandachtspunten zijn nog steeds niet verduidelijkt in circulaires of rulings.  Zo blijft het voorlopig nog steeds een gevoelig punt om het precieze onderdeel van de vergoeding te bepalen dat als auteursrecht kan aangemerkt worden.  Het spreekt immers voor zich dat men de regeling niet kan misbruiken om inkomsten die duidelijk een loon of vergoeding voor diensten uitmaken te herkwalificeren als auteursrecht.

Het bepalen van het juiste evenwicht én van de vraag of bepaalde creatieve activiteiten in aanmerking kunnen komen, blijft specialistenwerk.  Sirius Legal staat, met zijn ruime ervaring in auteursrecht, IT én fiscaal recht, al zeer lang cliënten bij in de fiscale optimalisatie van hun beroepsinkomsten.  Als je hier graag meer informatie over wil, kan je ons steeds vrijblijvend contacteren via bart@siriuslegal.be.

14.09.2011 Bart Van den Brande

Nijntje zit opnieuw aan de coke! (over parodieën in het auteursrecht)

Misschien herinnert u zich nog de spraakmakende Deng-cover uit 2006 waarop “Lijntje” met een druipneusje naar een hoopje wit poeder staarde?

Een stap te ver oordeelde het Hof van Beroep in Antwerpen destijds (Antwerpen, 2 mei 2006, Auteurs & Media 2006, 257, met noot). Nijntje moest dus  zijn neusje proper houden en Deng mocht “Lijntje” niet meer ten tonele voeren.

Het is inmiddels zes jaar geleden dat Nijntje moest afkicken en dat Deng veroordeeld werd voor inbreuken op het auteursrecht van Dick Bruna.

Blijkbaar is Nijntje inmiddels  in Nederland opnieuw aan de coke geraakt (zie afbeelding). Het Hof van Beroep in Amsterdam oordeelde gisteren in een zaak, die nochtans erg gelijk is aan de Deng-zaak uit 2006, dat Nijntje wel degelijk aan de coke mag en dat een en ander een geoorloofde parodie is.

Of we hieruit moeten besluiten dat de Nederlandse auteurswet soepeler is of dat de Nederlandse zeden gewoon losser zijn, is niet meteen duidelijk…

 

Wanneer is er eigenlijk sprake van een geoorloofde parodie (naar Belgisch recht)?

Het auteursrecht voorziet een aantal basisprincipes die auteurs, kunstenaars en muzikanten moeten beschermen tegen ongeoorloofd gebruik van hun werk. Het belangrijkste basisprincipe is dat niemand een auteursrechtelijk beschermd werk mag gebruiken, kopiëren, bewerken, verveelvuldigen of openbaar maken zonder de toestemming van de auteur (of zijn beheersvennootschap, zoals bvb Sabam of SACD bij ons of Buma Stemra in Nederland).

De wet voorziet echter ook een aantal uitzonderingen, waarbij men geen voorafgaande toestemming nodig heeft van de auteur. Eentje daarvan is de parodie: voor humoristische, parodiërende of satirische doeleinden mag een auteursrechtelijk beschermde creatie wél bewerkt worden zonder voorafgaande toestemming.

Hiervoor gelden vanzelfsprekend wel grenzen en de rechtspraak in België is érg streng over wat wel en niet kan bij een parodie. De meeste handboeken onderscheiden een aantal voorwaarden, waarvan de belangrijkste zijn dat:

  • de parodie geen commercieel doel mag hebben (prints op t-shirts of parodieën in reclamecampagnes zijn dus in principe uit den boze),
  •  de overgenomen elementen uit het origineel zo beperkt mogelijk moeten zijn,
  • de parodie op zich voldoende origineel moet zijn om zelf beschermd te kunnen worden
  • de parodie moet een kritiek vormen op het origineel
  • de parodie mag geen verwarring laten bestaan met het origineel
  • en vooral ook dat de parodie geen afbreuk mag doen aan de eer of de reputatie van de auteur of diens werk.

Ondanks het feit dat deze voorwaarden in Nederland min of meer gelijk lopen, is een coke snuivende Nijntje bij onze noorderburen blijkbaar wel een aanvaardbare vorm van humor, terwijl diezelfde parodie bij ons als schadelijk voor de eer en reputatie van Dick Bruna beschouwd wordt.  Andere landen andere zeden…

Het volledige arrest leest u hier: https://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BS7825

20.01.2011 Bart Van den Brande

Oma Wapsie is echte bedenker van speculoospasta

GENT – De rechtbank van koophandel in Gent heeft vanochtend het octrooi van Lotus Bakeries op het populaire product speculoospasta vernietigd.

Enkele concurrenten van het bedrijf waren naar de rechtbank van koophandel gestapt met de vraag het octrooi van Lotus nietig te verklaren, en kregen donderdag gelijk. Lotus had het octrooi gekocht van twee deelnemers aan het VRT-programma De Bedenkers, maar de rechter oordeelt nu dat hun pasta geen nieuwe uitvinding was.

Volgens de rechter was een recept op de Nederlandse receptensite Oma Wapsie om speculoospasta te maken al beschikbaar lang voor Lotus het octrooi in handen kreeg.

Speculoospasta is op enkele jaren tijd uitgegroeid tot het succesproduct van het beursgenoteerde Lotus Bakeries uit het Oost-Vlaamse Lembeke. De koekjesfabrikant maakte nooit bekend hoeveel winst het uit de koekjespasta haalt, maar volgens analisten realiseert het bedrijf met de pasta in België alleen al een omzet van ruim 10 miljoen euro.

Lotus Bakeries kocht het octrooi in mei 2009 van Danny De Maeyer en Dirk De Smet. Die namen in 2007 deel aan het programma De Bedenkers maar hadden in 2006 al een octrooi bekomen. Concurrenten van Lotus Bakeries werden vervolgens door het bedrijf aangemaand om met de productie van hun speculoospasta’s te stoppen. ten onrechte, zegt de rechter nu.

Het aandeel van Lotus op de Brusselse beurs verliest zowat een procent in reactie op het nieuws.

(Bron: De Standaard)
De Standaard Online – Oma Wapsie is echte bedenker van speculoospasta.

24.11.2010 Bart Van den Brande

Product placement of het geloof in het gezond verstand van de kijker

Tijdens het VRM symposium over de toekomst van televisiereclame vanochtend in de Brabanthal in Leuven ontspon zich een geanimeerde discussie tussen leden van de VRM enerzijds en enkele vertegenwoordigers van tv-producenten en adverteerder in de zaal anderzijds.  Inzet was de vraag of de kijker mondig genoeg is om zelf product placement te herkennen in een programma en er de waarde van in te schatten.  Een gelegenheid om een update te maken van een jaar product placement in Vlaanderen.

De Aston Martin van James Bond, de MacBook in Mission Impossible, de Converses van Will Smith in I Robot, … Niemand is verbaasd om merken te zien opduiken in bioscoopfilms en geen mens die denkt dat Aston Martin, Apple of Converse per toeval gekozen zijn door de filmmakers.  Het gaat hier natuurlijk om product placement en we weten allemaal dat bedrijven grof geld neertellen om geassocieerd te worden met acteur X of film Y.  In Amerikaanse films is product placement al tientallen jaren ingeburgerd en is het vaak een belangrijk onderdeel van de financiering van een film.

In België en in gans Europa eigenlijk was product placement jarenlang taboe.  De consument moest beschermd worden tegen de boze machten van de marketing en de dagschotel van Xavier mocht dus in geen geval uit Leuven of Jupille komen, maar moest van een onbestemd merk zijn.

 

Verandering?

Pas met de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten 007/65/EG van 11 december 2007 en het in uitvoering daarvan genomen Vlaams Mediadecreet van 27 maart 2009 werd product placement mogelijk in Vlaanderen.  De overwegingen van de Europese richtlijn hadden al duidelijk gemaakt dat product placement onder bepaalde omstandigheden mogelijk moet zijn, tenzij een lidstaat anders beslist.  Weliswaar is het uitgangspunt van de richtlijn dat product placement in beginsel verboden is, maar de richtlijn geeft meteen een lijst van programmagenres mee waarvoor het verbod niet geldt en waarvoor product placement dus wel kan.  Het gaat onder meer om films, series, sport en ‘licht amusement’.  Voorwaarde is wel dat de ‘redactionele onafhankelijkheid’ van de omroep niet wordt aangetast en dat de kijker duidelijk gewezen wordt op de aanwezigheid van product placement.

In het Vlaamse Mediadecreet werd één en ander vertaald in de artikels 99 en 100, die voorzien dat product placement kan in bepaalde programma’s als de redactionele onafhankelijkheid gegarandeerd is, als de kijker duidelijk gewezen wordt op de product placement, als de aanwezigheid van het product niet aanzet tot aankopen en als het product geen overmatige aandacht krijgt.

Het mediadecreet is inmiddels een goed jaar geleden in werking getreden en ook het ondertussen bekende PP logo heeft er zijn eerste werkjaar opzitten.  Product placement is inmiddels ook in Vlaamse producties ingeburgerd en is een vast gegeven geworden op alle Vlaamse zenders.

 

Controle en beboeting

De controle op de naleving van het decreet door de zenders is toegewezen aan de Vlaamse Regulator voor de Media en die deed de voorbije twaalf maanden zijn werk grondig.  Zowat alle grote zenders liepen immers al veroordelingen op voor inbreuken op de regels met betrekking tot product placement.

De eerste zender die in 2010 aan de beurt was, was VT4.  Moederhuis SBS werd op 18 januari in de zaak 2010-005 veroordeeld tot een boete van maar liefst 10.000 euro voor een dubbele inbreuk op de PP regels in twee opeenvolgende afleveringen van The Block.  In een eerste aflevering werd aan de deelnemers aangekondigd dat alle verf in het programma ter beschikking gesteld werd door Levis.  Een pot Levis verf kwam ‘maar liefst 5 seconden lang prominent in beeld’ (1/4 van het beeld volgens de VRM) en even later zei één van de schilderende deelnemers dat de Levis verf “echt goei verf” is.  Een week later meldde de voice over dat één van de deelnemers “blijkbaar gekozen heeft voor een prima verwarmingsinstallatie”, waarbij de merknaam Junkers duidelijk in beeld kwam.

In beide gevallen oordeelde de VRM dat de programmamakers “overmatige aandacht” schonken aan het merk en daarmee artikel 100 van het decreet overschreden.

Dezelfde analyse viel de VRT en de VMMa te beurt in de zaken 2010-15, 2010-26, 2010-27.  Telkens opnieuw oordeelde de VRM dat buitensporig veel aandacht gegeven werd aan de gesponsorde items en legde ze een boete op van 5.000 euro.  In het geval van de VRT ging het om een item van tweeënhalve minuut over het feit dat Yanina Wickmayer het nieuwe gezicht was voor een reclamecampagne voor lingeriemerk Marie Jo.  De VRM oordeelde dat in wat nochtans op het eerste zicht duidelijk een licht nieuwsitem was op overdreven positieve wijze reclame gemaakt werd voor het ondergoed van Marie Jo.  Ook een item in de Zevende Dag over een nieuwe brasserie ‘Kwint’, die al te nadrukkelijk in beeld kwam en al te zeer bejubeld werd viel niet in de smaak bij de VRM.  Het feit dat uitsluitend positieve commentaren gegeven werden en dat de naam al te nadrukkelijk vermeld werd en in beeld kwam, kon evenmin door de beugel.

Wanneer men de beslissingen, die overigens allemaal beschikbaar zijn op www.vlaamseregulatormedia.be, leest is het al snel duidelijk dat de beslissingen van de VRM stuk voor stuk zijn ingegeven door een feitelijke interpretatie van de VRM over wat nu precies ‘overmatige aandacht’ is of wat precies ‘aanzet tot aankopen’, waarbij de VRM vaak op minutieuze wijze de tijd meet dat bepaalde vermeldingen zichtbaar zijn of het aantal keren dat een merknaam vermeld wordt.

 

Heeft de consument deze strenge bescherming wel nodig?

De vraag stelt zich echter in welke mate de tv-kijker zo’n vergaande –men zou durven zeggen paternalistische-  bescherming op basis van strenge toepassingen van het mediadecreet nodig heeft.  De Vlaamse tv-kijker wordt immers dagelijks overspoeld met reclame op tv, op internet, in tijdschriften, op bilboards, in zijn brievenbus en inbox en men zou er inmiddels van uit mogen gaan dat de gemiddelde tv-kijkers –of zelfs de minder mondige tv-kijker- over voldoende kritisch onderscheidingsvermogen beschikken om product placement te herkennen en naar waarde te schatten.  De reflectie dringt zich eens te meer op nu gelijkaardige vormen van product placement op internet en zelfs in stripverhalen schering en inslag zijn en de VRM daarover geeneens de bevoegdheid heeft om op te treden.

Kan men inmiddels niet veronderstellen dat de kijker voldoende mondig is om zelf te ageren wanneer hij naar zijn mening met te veel of te intrusieve product placement geconfronteerd wordt?  Is het werkelijk nodig de kijker constant bij het handje te houden?  Geen nieuwe vragen en ik zal zeker niet de eerste zijn die ze stelt.

De discussie die zich vanochtend ontspon op het jaarlijkse VRM symposium, dat deze keer gewijd was aan “nieuwe trends in televisiereclame” was dan ook erg interessant.

Professor Mediarecht Dirk Voorhoof, die ook lid is van de Tweede Kamer van de VRM die zich bezighoudt met de bescherming van minderjarigen, herhaalde zijn al eerder gegeven standpunt dat Vlaanderen zich met zijn tolerante regelgeving ten aanzien van product placement (t.t.z. het loutere feit dat product placement in Vlaanderen toegestaan is) op de ‘absolute ondergrens van de Europese regelgeving’ bevindt.  Aangezien die regelgeving de bescherming van de consument tot doel heeft en Vlaanderen dus, volgens professor Voorhoof voor een lager niveau van bescherming koos dan de ons omliggende landen, moet het Vlaams Mediadecreet steeds zo strikt mogelijk toegepast en geïnterpreteerd worden.  Professor Peggy Valcke, eveneens zetelend in de VRM, voegde hieraan toe dat het haar inziens absoluut niet zeker is dat de gemiddelde tv-kijker over voldoende onderscheidend vermogen beschikt om product placement correct te kunnen plaatsen

Maxim Hauk, vertegenwoordiger van de Association of Commercial Television in Europe –ACT, reageerde hierop heftig met de melding dat de richtlijn product placement absoluut niet uitsluit of tot een uitzondering maakt en dat een beperkende interpretatie zich dus helemaal niet opdringt en dat de kijker echt wel matuur genoeg is om product placement correcte herkennen en in te schatten.  Hij werd hierin gesteund door enkele andere stemmen uit de zaal.

De vraag stelt zich mijns inziens inderdaad of, in een wereld van convergerende technologieën, waar de consument dagelijks via allerlei media van ipad, over smartphone, ipod, pc, tv tot de klassieke kranten en tijdschriften met reclame en product placement geconfronteerd wordt inderdaad nood bestaat aan een controle op één specifiek onderdeel van dat media-aanbod, met name de audiovisuele omroepdiensten, terwijl voor alle andere media die controle niet bestaat.  Een en ander onderschat mijns inziens in ruime mate het gezond verstand van de Gemiddelde Vlaming en een debat specifiek gewijd aan de rol en het optreden van de VRM in deze en gelijkaardige aangelegenheden zou ongetwijfeld een verrijking zijn voor alle betrokken actoren.

Of om het in andere woorden te stellen: mogen we in 2010 niet veronderstellen dat iedereen in staat is om correct in te schatten dat de dagschotels van Xavier of de Duvels van Van In niet toevallig gekozen zijn en door de programmamakers gekozen zijn als onderdeel van de financiering van De Kampioenen of Aspe?  Hebben we echt nood aan een zo strenge beteugeling van elk geval waarin een merknaam al te nadrukkelijk vermeld wordt in een tv-programma…?

28.10.2010 Bart Van den Brande

Ongestraft SOS Piet kopiëren?

Een vreemd bericht vandaag in de pers: volgens een artikel in Het Nieuwsblad oordeelde de Luikse rechtbank van koophandel onlangs dat kookboeken niet auteursrechtelijk beschermd zijn en vrij door iedereen gekopieerd mogen worden. Het vonnis in kwestie werd gepubliceerd in het tijdschrift Jurisprudence de Liège Mons et Bruxelles van oktober 2010.

Televisiekok Piet Huysentruyt reageert in het artikel met de melding dat zijn recepten zijn eigendom zijn en dat hij het kopiëren ervan intellectuele diefstal vindt.

Wat is er precies gebeurd: Een dame uit Waals Brabant schreef twee kookboeken met recepten op basis van bier, beide boeken werden ook uitgegeven.  Op een gegeven ogenblik krijgt zij een ander kookboek met recepten op basis van bier in handen en stelt vast dat vijf van haar recepten er letter voor letter in hernomen zijn, met volledig overnemen van haar woordkeuze, zinsbouw en opmaak.  Ze leest met stijgende verbazing haar zelfbedachte recepten voor onder meer Croûte met Orval en Eendenborstfilet met champignons en Saisons de Silly. De dame in kwestie tracht verhaal te halen bij de uitgever, maar wordt wandelen gestuurd en besluit vervolgens de auteurs van het nieuwe werk te dagvaarden.

In zijn vonnis oordeelt de rechtbank van koophandel te Luik dat een recept niet auteursrechtelijk beschermd is “als het zich ertoe beperkt de benodigde ingrediënten op te sommen en de nodige handelingen op louter functionele wijze te beschrijven“.   De rechtbank vergelijkt een kookboek met een computerprogramma, dat geen bescherming geniet als de code erachter een opeenvolging van noodzakelijke, technische programmeerlijnen is, die geen eigen creatie van de programmeur vereisen.  Computerprogramma’s zijn door een bijzondere wet beschermd omdat ze niet door het gewone auteursrecht beschermd zijn, meent de rechtbank.  In dit geval, oordeelt de rechtbank, is er een vergelijkbare situatie: net als een computerprogramma is een recept ook  “een loutere aaneenschakeling van verschillende bouwstenen“, waardoor “de creatie van een recept, zelfs als bewezen is dat het een origineel recept is, zeker niet tot de wereld van het literaire of artistieke behoort“, waaropvolgend de rechtbank elke auteursrechtelijke bescherming ontzegt aan de recepten van de Waals-Brabantse dame en haar eis tot schadevergoeding afwijst als ongegrond.

Nochtans zal al wie van koken houdt beamen dat een goed geschreven kookboek meer is dan een louter technische opeenvolging van ingrediënten en handelingen.  Een kookboek is vaak zelfs in de eerste plaats niet meer geschreven om als louter technische hulp bij het koken in de keuken te dienen, maar eerder om een inspiratiebron te zijn, die de lezer doet wegdromen bij een gans verhaal rond ingrediënten, herkomst, bereidingswijze, traditie, smaken, geuren, …

Het is dan ook weinig verwonderlijk dat de reacties van bekende koks als Piet Huysentruyt onbegrijpend zijn wanneer zij geconfronteerd worden met dit vonnis.  Zij steken immers al hun energie, talent, liefde en vakmanschap in hun recepten en creëren werken die veel verder gaan dan de gebruiksaanwijzing op de achterkant van een verpakking, die inderdaad louter technisch-beschrijvend kan zijn.

Maar wie heeft het dan bij het rechte eind, de rechtbank of de heer Huysentruyt in zijn reactie in Het Nieuwsblad?  Mag SOS Piet zomaar gekopieerd worden of niet?

Om een antwoord te kunnen formuleren, moet men één van de fundamentele basisbegrippen van het Belgische (Europese) auteursrecht begrijpen: auteursrecht beschermt alleen de vorm, de uitdrukking die aan een idee gegeven wordt, de exacte woorden, kleuren, beelden, klanken die gekozen worden om een idee vorm te geven.  Het idee op zich, het onderwerp van de expressie, blijft altijd vrij en is niet beschermd (behalve indien dat idee een technische uitvinding zou zijn en door octrooien beschermd zou kunnen worden, wat voor een recept bezwaarlijk gezegd kan worden, of indien het idee in de vorm van een merk gedeponeerd zou kunnen worden, wat evenmin vanzelfsprekend is).

Met een voorbeeld: het idee om een schilderij te maken van een naakte cupido met pijl en boog in de hand is vrij en behoort niemand toe.  Duizenden kunstenaars hebben doorheen de eeuwen dit beeld opnieuw gebruikt en het zich eigen gemaakt.  Wat wél auteursrechtelijk beschermd kan zijn is de concrete uitwerking van dit beeld door een bepaalde kunstenaar of auteur.  De vorm die hij eraan geeft, de kleuren die hij kiest, de compositie die hij samenstelt, het geheel van elementen die van het vrije idee van de cupido zijn eigen individuele kunstwerk maken zijn wél beschermd.

In het voorliggende geval betekent dit dat recepten op zich niet beschermd zijn.  Noch het auteursrecht, noch enig ander intellectueel eigendomsrecht geeft iemand het alleenrecht op de bereiding van eendenborstfilet met champignons en Saison de Silly.

De specifieke vorm die eraan gegeven wordt door de auteur echter is wel degelijk beschermd.  De kleur van de omslag, de pagina lay-out, de bijgaande foto, de precieze tekstkeuze, het verhaal dat erbij verteld wordt, zijn allemaal elementen die van een recept in een kookboek een auteursrechtelijk beschermd element kunnen maken.

Er is slechts één enkele voorwaarde: het geheel moet een voldoende originele expressie van de individuele creatieve geest van de auteur zijn om beschermd te kunnen.  Die originaliteitsvereiste wordt door een uitgebreide rechtspraak zeer laagdrempelig gehouden.  Van zodra sprake is van een originele inbreng is er meestal auteursrechtelijke bescherming.  Hetzelfde voorbeeld van de cupido met boog maakt veel duidelijk: natuurlijk is het beeld van een cupido met boog niet origineel, duizenden hebben het reeds voorgedaan.  Maar de precieze keuzes in compositie, kleur, invalshoek, uitdrukking kunnen ruimschoots volstaan om te oordelen dat een werk toch origineel is en beschermd wordt door het auteursrecht.

Waarom heeft de rechtbank van koophandel in Luik in dit geval dan geoordeeld dat er geen auteursrechtelijke bescherming is voor recepten?  Wel, de rechtbank had tot dat besluit kunnen komen als zij van oordeel geweest was dat in dit concrete geval niet aan de originaliteitsvereiste voldaan was geweest, omdat hier het recept niet meer zou geweest zijn dan een hernemen van technische instructies, maar vreemd genoeg lijkt dat niet de reden te zijn geweest die de rechtbank tot haar oordeel heft gebracht.

De rechtbank maakt een hele andere, en juridisch voor zeer ernstige betwisting vatbare, redenering en zegt dat er weliswaar wél sprake is van originaliteit, maar omdat het gaat om een op elkaar stapelen van ingrediënten en handelingen zegt de rechtbank dat een recept “zeker niet tot de wereld van het literaire of artistieke behoort“.  De rechtbank verwart daarmee twee criteria: enerzijds de originaliteitsvereiste, die we reeds bespraken, en anderzijds de artistieke waarde van een tekst.  Het eerste criterium is determinerend voor het verkrijgen van auteursrechtelijke bescherming, het tweede is dat niet.  Zelfs de meeste banale, smakeloze, alledaagse werken zijn immers door het auteursrecht beschermd als ze maar origineel zijn.

Men kan dus met vrij grote zekerheid stellen dat de rechtbank zich in dit concrete geval ernstig vergist heeft.  Recepten (althans de tekstuele vorm die eraan gegeven wordt in een kookboek of op internet) kunnen wel degelijk auteursrechtelijk beschermd zijn, als ze maar in een originele vorm gegoten zijn.  SOS Piet kan zich er dus niet tegen verzetten dat derden zij recepten inhoudelijk hernemen en er een eigen vorm aan geven, maar hoeft niet te vrezen dat zijn boeken morgen door iedereen vrij gekopieerd mogen worden,…

 

Tegen het vonnis werd overigens reeds beroep ingesteld.

09.10.2010 Bart Van den Brande

Bevat uw communicatie alle wettelijk verplichte vermeldingen?

Bevat uw communicatie alle wettelijk verplichte vermeldingen?

Samen met de invoering van het ondernemingsnummer werden enkele jaren geleden een aantal aanpassingen gemaakt in het W. Venn. inzake de verplichte vermeldingen op facturen, brieven, websites, e-mailberichten, faxen, …

Nog al te vaak echter blijken ondernemingen niet aan alle verplichten te voldoen. Vooral e-mails en websites voldoen nog vaak niet aan alle vereisten, maar ook het briefpapier van veel bedrijven is niet volledig in orde.

Alle facturen, brieven, e-mails, websites en alle andere al dan niet elektronische communicatie van uw bedrijf moeten melding maken van:

• De naam van de vennootschap,
• De rechtsvorm, voluit of afgekort.
• De zetel,
• Het ondernemingsnummer,
• Het woord “Rechtspersonenregister” of “RPR” en de rechtbank van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft,
• Minstens één bankrekeningnummer, voor wie handel drijft met andere EU-lidstaten samen met de IBAN en BIC code.

Vooral bij websites en e-mails blijkt al te vaak dat ze geen melding maken van het ondernemingsnummer, de verwijzing naar het rechtspersonenregister of het bankrekeningnummer. Veel bedrijven nemen wél een uitgebreide disclaimer op in hun e-mails, maar voldoen verder niet aan bovenstaande verplichtingen.

De sancties zijn nochtans vergaand. Volgens artikel 80 W. Venn. kan iedereen die meewerkt aan een akte of website die niet voldoet aan de informatievoorschriften persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de daarin door de vennootschap aangegane verbintenissen. Theoretisch gezien betekent dit dat uw personeel, maar wellicht ook aan de webdesigner of webmaster die de site ontwikkelde of onderhoudt persoonlijk aansprakelijk gesteld zou kunnen worden voor de verbintenissen van de vennootschap. Voor vennootschap die aan e-commerce doen, kan het hierbij vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen gaan. Ook de dossierbeheerder, die een brief, e-mail of fax verstuurt, riskeert in principe en “onder omstandigheden” zijn persoonlijke aansprakelijkheid in het gedrang te zien brengen.

Gelet op het bovenstaande is het wellicht nuttig voor elke onderneming om zijn brief- en faxpapier, zijn facturen en bestelbons, zijn e-mails en website aan een kort onderzoek te onderwerpen en eventueel aan te passen. U kan heel wat toekomstige problemen uitsluiten en verstevigt bovendien de bedrijfscommunicatie en de positieve beeldvorming van uw bedrijf.

1 2 26 27 28