Blog

14.09.2011 Bart Van den Brande

Nijntje zit opnieuw aan de coke! (over parodieën in het auteursrecht)

Misschien herinnert u zich nog de spraakmakende Deng-cover uit 2006 waarop “Lijntje” met een druipneusje naar een hoopje wit poeder staarde?

Een stap te ver oordeelde het Hof van Beroep in Antwerpen destijds (Antwerpen, 2 mei 2006, Auteurs & Media 2006, 257, met noot). Nijntje moest dus  zijn neusje proper houden en Deng mocht “Lijntje” niet meer ten tonele voeren.

Het is inmiddels zes jaar geleden dat Nijntje moest afkicken en dat Deng veroordeeld werd voor inbreuken op het auteursrecht van Dick Bruna.

Blijkbaar is Nijntje inmiddels  in Nederland opnieuw aan de coke geraakt (zie afbeelding). Het Hof van Beroep in Amsterdam oordeelde gisteren in een zaak, die nochtans erg gelijk is aan de Deng-zaak uit 2006, dat Nijntje wel degelijk aan de coke mag en dat een en ander een geoorloofde parodie is.

Of we hieruit moeten besluiten dat de Nederlandse auteurswet soepeler is of dat de Nederlandse zeden gewoon losser zijn, is niet meteen duidelijk…

 

Wanneer is er eigenlijk sprake van een geoorloofde parodie (naar Belgisch recht)?

Het auteursrecht voorziet een aantal basisprincipes die auteurs, kunstenaars en muzikanten moeten beschermen tegen ongeoorloofd gebruik van hun werk. Het belangrijkste basisprincipe is dat niemand een auteursrechtelijk beschermd werk mag gebruiken, kopiëren, bewerken, verveelvuldigen of openbaar maken zonder de toestemming van de auteur (of zijn beheersvennootschap, zoals bvb Sabam of SACD bij ons of Buma Stemra in Nederland).

De wet voorziet echter ook een aantal uitzonderingen, waarbij men geen voorafgaande toestemming nodig heeft van de auteur. Eentje daarvan is de parodie: voor humoristische, parodiërende of satirische doeleinden mag een auteursrechtelijk beschermde creatie wél bewerkt worden zonder voorafgaande toestemming.

Hiervoor gelden vanzelfsprekend wel grenzen en de rechtspraak in België is érg streng over wat wel en niet kan bij een parodie. De meeste handboeken onderscheiden een aantal voorwaarden, waarvan de belangrijkste zijn dat:

  • de parodie geen commercieel doel mag hebben (prints op t-shirts of parodieën in reclamecampagnes zijn dus in principe uit den boze),
  •  de overgenomen elementen uit het origineel zo beperkt mogelijk moeten zijn,
  • de parodie op zich voldoende origineel moet zijn om zelf beschermd te kunnen worden
  • de parodie moet een kritiek vormen op het origineel
  • de parodie mag geen verwarring laten bestaan met het origineel
  • en vooral ook dat de parodie geen afbreuk mag doen aan de eer of de reputatie van de auteur of diens werk.

Ondanks het feit dat deze voorwaarden in Nederland min of meer gelijk lopen, is een coke snuivende Nijntje bij onze noorderburen blijkbaar wel een aanvaardbare vorm van humor, terwijl diezelfde parodie bij ons als schadelijk voor de eer en reputatie van Dick Bruna beschouwd wordt.  Andere landen andere zeden…

Het volledige arrest leest u hier: https://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BS7825

20.01.2011 Bart Van den Brande

Oma Wapsie is echte bedenker van speculoospasta

GENT – De rechtbank van koophandel in Gent heeft vanochtend het octrooi van Lotus Bakeries op het populaire product speculoospasta vernietigd.

Enkele concurrenten van het bedrijf waren naar de rechtbank van koophandel gestapt met de vraag het octrooi van Lotus nietig te verklaren, en kregen donderdag gelijk. Lotus had het octrooi gekocht van twee deelnemers aan het VRT-programma De Bedenkers, maar de rechter oordeelt nu dat hun pasta geen nieuwe uitvinding was.

Volgens de rechter was een recept op de Nederlandse receptensite Oma Wapsie om speculoospasta te maken al beschikbaar lang voor Lotus het octrooi in handen kreeg.

Speculoospasta is op enkele jaren tijd uitgegroeid tot het succesproduct van het beursgenoteerde Lotus Bakeries uit het Oost-Vlaamse Lembeke. De koekjesfabrikant maakte nooit bekend hoeveel winst het uit de koekjespasta haalt, maar volgens analisten realiseert het bedrijf met de pasta in België alleen al een omzet van ruim 10 miljoen euro.

Lotus Bakeries kocht het octrooi in mei 2009 van Danny De Maeyer en Dirk De Smet. Die namen in 2007 deel aan het programma De Bedenkers maar hadden in 2006 al een octrooi bekomen. Concurrenten van Lotus Bakeries werden vervolgens door het bedrijf aangemaand om met de productie van hun speculoospasta’s te stoppen. ten onrechte, zegt de rechter nu.

Het aandeel van Lotus op de Brusselse beurs verliest zowat een procent in reactie op het nieuws.

(Bron: De Standaard)
De Standaard Online – Oma Wapsie is echte bedenker van speculoospasta.

24.11.2010 Bart Van den Brande

Product placement of het geloof in het gezond verstand van de kijker

Tijdens het VRM symposium over de toekomst van televisiereclame vanochtend in de Brabanthal in Leuven ontspon zich een geanimeerde discussie tussen leden van de VRM enerzijds en enkele vertegenwoordigers van tv-producenten en adverteerder in de zaal anderzijds.  Inzet was de vraag of de kijker mondig genoeg is om zelf product placement te herkennen in een programma en er de waarde van in te schatten.  Een gelegenheid om een update te maken van een jaar product placement in Vlaanderen.

De Aston Martin van James Bond, de MacBook in Mission Impossible, de Converses van Will Smith in I Robot, … Niemand is verbaasd om merken te zien opduiken in bioscoopfilms en geen mens die denkt dat Aston Martin, Apple of Converse per toeval gekozen zijn door de filmmakers.  Het gaat hier natuurlijk om product placement en we weten allemaal dat bedrijven grof geld neertellen om geassocieerd te worden met acteur X of film Y.  In Amerikaanse films is product placement al tientallen jaren ingeburgerd en is het vaak een belangrijk onderdeel van de financiering van een film.

In België en in gans Europa eigenlijk was product placement jarenlang taboe.  De consument moest beschermd worden tegen de boze machten van de marketing en de dagschotel van Xavier mocht dus in geen geval uit Leuven of Jupille komen, maar moest van een onbestemd merk zijn.

 

Verandering?

Pas met de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten 007/65/EG van 11 december 2007 en het in uitvoering daarvan genomen Vlaams Mediadecreet van 27 maart 2009 werd product placement mogelijk in Vlaanderen.  De overwegingen van de Europese richtlijn hadden al duidelijk gemaakt dat product placement onder bepaalde omstandigheden mogelijk moet zijn, tenzij een lidstaat anders beslist.  Weliswaar is het uitgangspunt van de richtlijn dat product placement in beginsel verboden is, maar de richtlijn geeft meteen een lijst van programmagenres mee waarvoor het verbod niet geldt en waarvoor product placement dus wel kan.  Het gaat onder meer om films, series, sport en ‘licht amusement’.  Voorwaarde is wel dat de ‘redactionele onafhankelijkheid’ van de omroep niet wordt aangetast en dat de kijker duidelijk gewezen wordt op de aanwezigheid van product placement.

In het Vlaamse Mediadecreet werd één en ander vertaald in de artikels 99 en 100, die voorzien dat product placement kan in bepaalde programma’s als de redactionele onafhankelijkheid gegarandeerd is, als de kijker duidelijk gewezen wordt op de product placement, als de aanwezigheid van het product niet aanzet tot aankopen en als het product geen overmatige aandacht krijgt.

Het mediadecreet is inmiddels een goed jaar geleden in werking getreden en ook het ondertussen bekende PP logo heeft er zijn eerste werkjaar opzitten.  Product placement is inmiddels ook in Vlaamse producties ingeburgerd en is een vast gegeven geworden op alle Vlaamse zenders.

 

Controle en beboeting

De controle op de naleving van het decreet door de zenders is toegewezen aan de Vlaamse Regulator voor de Media en die deed de voorbije twaalf maanden zijn werk grondig.  Zowat alle grote zenders liepen immers al veroordelingen op voor inbreuken op de regels met betrekking tot product placement.

De eerste zender die in 2010 aan de beurt was, was VT4.  Moederhuis SBS werd op 18 januari in de zaak 2010-005 veroordeeld tot een boete van maar liefst 10.000 euro voor een dubbele inbreuk op de PP regels in twee opeenvolgende afleveringen van The Block.  In een eerste aflevering werd aan de deelnemers aangekondigd dat alle verf in het programma ter beschikking gesteld werd door Levis.  Een pot Levis verf kwam ‘maar liefst 5 seconden lang prominent in beeld’ (1/4 van het beeld volgens de VRM) en even later zei één van de schilderende deelnemers dat de Levis verf “echt goei verf” is.  Een week later meldde de voice over dat één van de deelnemers “blijkbaar gekozen heeft voor een prima verwarmingsinstallatie”, waarbij de merknaam Junkers duidelijk in beeld kwam.

In beide gevallen oordeelde de VRM dat de programmamakers “overmatige aandacht” schonken aan het merk en daarmee artikel 100 van het decreet overschreden.

Dezelfde analyse viel de VRT en de VMMa te beurt in de zaken 2010-15, 2010-26, 2010-27.  Telkens opnieuw oordeelde de VRM dat buitensporig veel aandacht gegeven werd aan de gesponsorde items en legde ze een boete op van 5.000 euro.  In het geval van de VRT ging het om een item van tweeënhalve minuut over het feit dat Yanina Wickmayer het nieuwe gezicht was voor een reclamecampagne voor lingeriemerk Marie Jo.  De VRM oordeelde dat in wat nochtans op het eerste zicht duidelijk een licht nieuwsitem was op overdreven positieve wijze reclame gemaakt werd voor het ondergoed van Marie Jo.  Ook een item in de Zevende Dag over een nieuwe brasserie ‘Kwint’, die al te nadrukkelijk in beeld kwam en al te zeer bejubeld werd viel niet in de smaak bij de VRM.  Het feit dat uitsluitend positieve commentaren gegeven werden en dat de naam al te nadrukkelijk vermeld werd en in beeld kwam, kon evenmin door de beugel.

Wanneer men de beslissingen, die overigens allemaal beschikbaar zijn op www.vlaamseregulatormedia.be, leest is het al snel duidelijk dat de beslissingen van de VRM stuk voor stuk zijn ingegeven door een feitelijke interpretatie van de VRM over wat nu precies ‘overmatige aandacht’ is of wat precies ‘aanzet tot aankopen’, waarbij de VRM vaak op minutieuze wijze de tijd meet dat bepaalde vermeldingen zichtbaar zijn of het aantal keren dat een merknaam vermeld wordt.

 

Heeft de consument deze strenge bescherming wel nodig?

De vraag stelt zich echter in welke mate de tv-kijker zo’n vergaande –men zou durven zeggen paternalistische-  bescherming op basis van strenge toepassingen van het mediadecreet nodig heeft.  De Vlaamse tv-kijker wordt immers dagelijks overspoeld met reclame op tv, op internet, in tijdschriften, op bilboards, in zijn brievenbus en inbox en men zou er inmiddels van uit mogen gaan dat de gemiddelde tv-kijkers –of zelfs de minder mondige tv-kijker- over voldoende kritisch onderscheidingsvermogen beschikken om product placement te herkennen en naar waarde te schatten.  De reflectie dringt zich eens te meer op nu gelijkaardige vormen van product placement op internet en zelfs in stripverhalen schering en inslag zijn en de VRM daarover geeneens de bevoegdheid heeft om op te treden.

Kan men inmiddels niet veronderstellen dat de kijker voldoende mondig is om zelf te ageren wanneer hij naar zijn mening met te veel of te intrusieve product placement geconfronteerd wordt?  Is het werkelijk nodig de kijker constant bij het handje te houden?  Geen nieuwe vragen en ik zal zeker niet de eerste zijn die ze stelt.

De discussie die zich vanochtend ontspon op het jaarlijkse VRM symposium, dat deze keer gewijd was aan “nieuwe trends in televisiereclame” was dan ook erg interessant.

Professor Mediarecht Dirk Voorhoof, die ook lid is van de Tweede Kamer van de VRM die zich bezighoudt met de bescherming van minderjarigen, herhaalde zijn al eerder gegeven standpunt dat Vlaanderen zich met zijn tolerante regelgeving ten aanzien van product placement (t.t.z. het loutere feit dat product placement in Vlaanderen toegestaan is) op de ‘absolute ondergrens van de Europese regelgeving’ bevindt.  Aangezien die regelgeving de bescherming van de consument tot doel heeft en Vlaanderen dus, volgens professor Voorhoof voor een lager niveau van bescherming koos dan de ons omliggende landen, moet het Vlaams Mediadecreet steeds zo strikt mogelijk toegepast en geïnterpreteerd worden.  Professor Peggy Valcke, eveneens zetelend in de VRM, voegde hieraan toe dat het haar inziens absoluut niet zeker is dat de gemiddelde tv-kijker over voldoende onderscheidend vermogen beschikt om product placement correct te kunnen plaatsen

Maxim Hauk, vertegenwoordiger van de Association of Commercial Television in Europe –ACT, reageerde hierop heftig met de melding dat de richtlijn product placement absoluut niet uitsluit of tot een uitzondering maakt en dat een beperkende interpretatie zich dus helemaal niet opdringt en dat de kijker echt wel matuur genoeg is om product placement correcte herkennen en in te schatten.  Hij werd hierin gesteund door enkele andere stemmen uit de zaal.

De vraag stelt zich mijns inziens inderdaad of, in een wereld van convergerende technologieën, waar de consument dagelijks via allerlei media van ipad, over smartphone, ipod, pc, tv tot de klassieke kranten en tijdschriften met reclame en product placement geconfronteerd wordt inderdaad nood bestaat aan een controle op één specifiek onderdeel van dat media-aanbod, met name de audiovisuele omroepdiensten, terwijl voor alle andere media die controle niet bestaat.  Een en ander onderschat mijns inziens in ruime mate het gezond verstand van de Gemiddelde Vlaming en een debat specifiek gewijd aan de rol en het optreden van de VRM in deze en gelijkaardige aangelegenheden zou ongetwijfeld een verrijking zijn voor alle betrokken actoren.

Of om het in andere woorden te stellen: mogen we in 2010 niet veronderstellen dat iedereen in staat is om correct in te schatten dat de dagschotels van Xavier of de Duvels van Van In niet toevallig gekozen zijn en door de programmamakers gekozen zijn als onderdeel van de financiering van De Kampioenen of Aspe?  Hebben we echt nood aan een zo strenge beteugeling van elk geval waarin een merknaam al te nadrukkelijk vermeld wordt in een tv-programma…?

28.10.2010 Bart Van den Brande

Ongestraft SOS Piet kopiëren?

Een vreemd bericht vandaag in de pers: volgens een artikel in Het Nieuwsblad oordeelde de Luikse rechtbank van koophandel onlangs dat kookboeken niet auteursrechtelijk beschermd zijn en vrij door iedereen gekopieerd mogen worden. Het vonnis in kwestie werd gepubliceerd in het tijdschrift Jurisprudence de Liège Mons et Bruxelles van oktober 2010.

Televisiekok Piet Huysentruyt reageert in het artikel met de melding dat zijn recepten zijn eigendom zijn en dat hij het kopiëren ervan intellectuele diefstal vindt.

Wat is er precies gebeurd: Een dame uit Waals Brabant schreef twee kookboeken met recepten op basis van bier, beide boeken werden ook uitgegeven.  Op een gegeven ogenblik krijgt zij een ander kookboek met recepten op basis van bier in handen en stelt vast dat vijf van haar recepten er letter voor letter in hernomen zijn, met volledig overnemen van haar woordkeuze, zinsbouw en opmaak.  Ze leest met stijgende verbazing haar zelfbedachte recepten voor onder meer Croûte met Orval en Eendenborstfilet met champignons en Saisons de Silly. De dame in kwestie tracht verhaal te halen bij de uitgever, maar wordt wandelen gestuurd en besluit vervolgens de auteurs van het nieuwe werk te dagvaarden.

In zijn vonnis oordeelt de rechtbank van koophandel te Luik dat een recept niet auteursrechtelijk beschermd is “als het zich ertoe beperkt de benodigde ingrediënten op te sommen en de nodige handelingen op louter functionele wijze te beschrijven“.   De rechtbank vergelijkt een kookboek met een computerprogramma, dat geen bescherming geniet als de code erachter een opeenvolging van noodzakelijke, technische programmeerlijnen is, die geen eigen creatie van de programmeur vereisen.  Computerprogramma’s zijn door een bijzondere wet beschermd omdat ze niet door het gewone auteursrecht beschermd zijn, meent de rechtbank.  In dit geval, oordeelt de rechtbank, is er een vergelijkbare situatie: net als een computerprogramma is een recept ook  “een loutere aaneenschakeling van verschillende bouwstenen“, waardoor “de creatie van een recept, zelfs als bewezen is dat het een origineel recept is, zeker niet tot de wereld van het literaire of artistieke behoort“, waaropvolgend de rechtbank elke auteursrechtelijke bescherming ontzegt aan de recepten van de Waals-Brabantse dame en haar eis tot schadevergoeding afwijst als ongegrond.

Nochtans zal al wie van koken houdt beamen dat een goed geschreven kookboek meer is dan een louter technische opeenvolging van ingrediënten en handelingen.  Een kookboek is vaak zelfs in de eerste plaats niet meer geschreven om als louter technische hulp bij het koken in de keuken te dienen, maar eerder om een inspiratiebron te zijn, die de lezer doet wegdromen bij een gans verhaal rond ingrediënten, herkomst, bereidingswijze, traditie, smaken, geuren, …

Het is dan ook weinig verwonderlijk dat de reacties van bekende koks als Piet Huysentruyt onbegrijpend zijn wanneer zij geconfronteerd worden met dit vonnis.  Zij steken immers al hun energie, talent, liefde en vakmanschap in hun recepten en creëren werken die veel verder gaan dan de gebruiksaanwijzing op de achterkant van een verpakking, die inderdaad louter technisch-beschrijvend kan zijn.

Maar wie heeft het dan bij het rechte eind, de rechtbank of de heer Huysentruyt in zijn reactie in Het Nieuwsblad?  Mag SOS Piet zomaar gekopieerd worden of niet?

Om een antwoord te kunnen formuleren, moet men één van de fundamentele basisbegrippen van het Belgische (Europese) auteursrecht begrijpen: auteursrecht beschermt alleen de vorm, de uitdrukking die aan een idee gegeven wordt, de exacte woorden, kleuren, beelden, klanken die gekozen worden om een idee vorm te geven.  Het idee op zich, het onderwerp van de expressie, blijft altijd vrij en is niet beschermd (behalve indien dat idee een technische uitvinding zou zijn en door octrooien beschermd zou kunnen worden, wat voor een recept bezwaarlijk gezegd kan worden, of indien het idee in de vorm van een merk gedeponeerd zou kunnen worden, wat evenmin vanzelfsprekend is).

Met een voorbeeld: het idee om een schilderij te maken van een naakte cupido met pijl en boog in de hand is vrij en behoort niemand toe.  Duizenden kunstenaars hebben doorheen de eeuwen dit beeld opnieuw gebruikt en het zich eigen gemaakt.  Wat wél auteursrechtelijk beschermd kan zijn is de concrete uitwerking van dit beeld door een bepaalde kunstenaar of auteur.  De vorm die hij eraan geeft, de kleuren die hij kiest, de compositie die hij samenstelt, het geheel van elementen die van het vrije idee van de cupido zijn eigen individuele kunstwerk maken zijn wél beschermd.

In het voorliggende geval betekent dit dat recepten op zich niet beschermd zijn.  Noch het auteursrecht, noch enig ander intellectueel eigendomsrecht geeft iemand het alleenrecht op de bereiding van eendenborstfilet met champignons en Saison de Silly.

De specifieke vorm die eraan gegeven wordt door de auteur echter is wel degelijk beschermd.  De kleur van de omslag, de pagina lay-out, de bijgaande foto, de precieze tekstkeuze, het verhaal dat erbij verteld wordt, zijn allemaal elementen die van een recept in een kookboek een auteursrechtelijk beschermd element kunnen maken.

Er is slechts één enkele voorwaarde: het geheel moet een voldoende originele expressie van de individuele creatieve geest van de auteur zijn om beschermd te kunnen.  Die originaliteitsvereiste wordt door een uitgebreide rechtspraak zeer laagdrempelig gehouden.  Van zodra sprake is van een originele inbreng is er meestal auteursrechtelijke bescherming.  Hetzelfde voorbeeld van de cupido met boog maakt veel duidelijk: natuurlijk is het beeld van een cupido met boog niet origineel, duizenden hebben het reeds voorgedaan.  Maar de precieze keuzes in compositie, kleur, invalshoek, uitdrukking kunnen ruimschoots volstaan om te oordelen dat een werk toch origineel is en beschermd wordt door het auteursrecht.

Waarom heeft de rechtbank van koophandel in Luik in dit geval dan geoordeeld dat er geen auteursrechtelijke bescherming is voor recepten?  Wel, de rechtbank had tot dat besluit kunnen komen als zij van oordeel geweest was dat in dit concrete geval niet aan de originaliteitsvereiste voldaan was geweest, omdat hier het recept niet meer zou geweest zijn dan een hernemen van technische instructies, maar vreemd genoeg lijkt dat niet de reden te zijn geweest die de rechtbank tot haar oordeel heft gebracht.

De rechtbank maakt een hele andere, en juridisch voor zeer ernstige betwisting vatbare, redenering en zegt dat er weliswaar wél sprake is van originaliteit, maar omdat het gaat om een op elkaar stapelen van ingrediënten en handelingen zegt de rechtbank dat een recept “zeker niet tot de wereld van het literaire of artistieke behoort“.  De rechtbank verwart daarmee twee criteria: enerzijds de originaliteitsvereiste, die we reeds bespraken, en anderzijds de artistieke waarde van een tekst.  Het eerste criterium is determinerend voor het verkrijgen van auteursrechtelijke bescherming, het tweede is dat niet.  Zelfs de meeste banale, smakeloze, alledaagse werken zijn immers door het auteursrecht beschermd als ze maar origineel zijn.

Men kan dus met vrij grote zekerheid stellen dat de rechtbank zich in dit concrete geval ernstig vergist heeft.  Recepten (althans de tekstuele vorm die eraan gegeven wordt in een kookboek of op internet) kunnen wel degelijk auteursrechtelijk beschermd zijn, als ze maar in een originele vorm gegoten zijn.  SOS Piet kan zich er dus niet tegen verzetten dat derden zij recepten inhoudelijk hernemen en er een eigen vorm aan geven, maar hoeft niet te vrezen dat zijn boeken morgen door iedereen vrij gekopieerd mogen worden,…

 

Tegen het vonnis werd overigens reeds beroep ingesteld.

09.10.2010 Bart Van den Brande

Bevat uw communicatie alle wettelijk verplichte vermeldingen?

Bevat uw communicatie alle wettelijk verplichte vermeldingen?

Samen met de invoering van het ondernemingsnummer werden enkele jaren geleden een aantal aanpassingen gemaakt in het W. Venn. inzake de verplichte vermeldingen op facturen, brieven, websites, e-mailberichten, faxen, …

Nog al te vaak echter blijken ondernemingen niet aan alle verplichten te voldoen. Vooral e-mails en websites voldoen nog vaak niet aan alle vereisten, maar ook het briefpapier van veel bedrijven is niet volledig in orde.

Alle facturen, brieven, e-mails, websites en alle andere al dan niet elektronische communicatie van uw bedrijf moeten melding maken van:

• De naam van de vennootschap,
• De rechtsvorm, voluit of afgekort.
• De zetel,
• Het ondernemingsnummer,
• Het woord “Rechtspersonenregister” of “RPR” en de rechtbank van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft,
• Minstens één bankrekeningnummer, voor wie handel drijft met andere EU-lidstaten samen met de IBAN en BIC code.

Vooral bij websites en e-mails blijkt al te vaak dat ze geen melding maken van het ondernemingsnummer, de verwijzing naar het rechtspersonenregister of het bankrekeningnummer. Veel bedrijven nemen wél een uitgebreide disclaimer op in hun e-mails, maar voldoen verder niet aan bovenstaande verplichtingen.

De sancties zijn nochtans vergaand. Volgens artikel 80 W. Venn. kan iedereen die meewerkt aan een akte of website die niet voldoet aan de informatievoorschriften persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de daarin door de vennootschap aangegane verbintenissen. Theoretisch gezien betekent dit dat uw personeel, maar wellicht ook aan de webdesigner of webmaster die de site ontwikkelde of onderhoudt persoonlijk aansprakelijk gesteld zou kunnen worden voor de verbintenissen van de vennootschap. Voor vennootschap die aan e-commerce doen, kan het hierbij vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen gaan. Ook de dossierbeheerder, die een brief, e-mail of fax verstuurt, riskeert in principe en “onder omstandigheden” zijn persoonlijke aansprakelijkheid in het gedrang te zien brengen.

Gelet op het bovenstaande is het wellicht nuttig voor elke onderneming om zijn brief- en faxpapier, zijn facturen en bestelbons, zijn e-mails en website aan een kort onderzoek te onderwerpen en eventueel aan te passen. U kan heel wat toekomstige problemen uitsluiten en verstevigt bovendien de bedrijfscommunicatie en de positieve beeldvorming van uw bedrijf.

08.10.2010 Bart Van den Brande

De waarde van het symbool ©

Het verkrijgen van een auteursrechtelijke bescherming voor een nieuw werk (tekst, muziek, film, beeldende kunst, …) is in België aan geen enkele formaliteit onderworpen.  Een werk is automatisch beschermd van zodra de woorden uit de pen van de schrijver zijn gerold.

Een registratie, zoals die in de VS vereist is, bestaat in België niet.  Ook het gekende © symbool, dat naar Amerikaans recht aangeeft dat een werk geregistreerd werd en dus auteursrechtelijk beschermd is, vinden we in de Belgische auteurswet niet terug.  Het heeft geen echte juridische waarde en de afwezigheid ervan betekent geenszins dat een werk niet beschermd zou zijn.

Het Belgische systeem heeft als grote voordeel dat elk origineel werk automatisch beschermd is.  Het nadeel is echter dat het vaak moeilijk is om te bewijzen dat men de auteur van een bepaald werk is, en dit in tegenstelling tot het Amerikaanse systeem, waarin men steeds kan terugvallen op de registratiegegevens.

Gelukkig voorziet art. 6 van de auteurswet een vermoeden in het voordeel van de auteur dat de vermelding van de naam van een persoon op een werk ook betekent dat hij er de auteur van is.  Het is dan aan derden om het tegendeel te bewijzen.

Een beslissing van het Hof van Beroep te Bergen (Bergen, 21 december 2007, JLMB, 2008, 924) geeft echter aan dat dit vermoeden niet alle discussies verhelpt, maar er ook nieuwe creëert.  In de voorgelegde rechtzaak diende het Hof van Beroep vast te stellen dat op een werk, in casu op het programmaboekje van een zaalshow, verschillende namen vermeld kunnen zijn en dat die vermelding niet in alle omstandigheden verwijst naar de identiteit van de auteur, maar vaak wel naar verschillende personen die aan een productie meewerkten zonder er daarom de auteur van te zijn.

Deze rechtzaak leert ons dat uit de wijze waarop de naam vermeld wordt duidelijk moet blijken dat de bedoeling precies was het auteurschap over het werk aan te geven.

En zo komt de Amerikaanse © toch weer om de hoek loeren.  Het vermelden van de naam van de auteur op een werk, samen met het symbool © maakt immers duidelijk dat het precies de bedoeling is om de auteur aan te duiden.  Het zal dan achteraf voor de auteur veel makkelijker zijn om het wettelijk voorziene vermoeden van auteurschap in te roepen en zich te verzetten tegen namakers.

De voorzichtigheid lijkt dan ook te gebieden om bij alle teksten, tekeningen, videobeelden, kunstwerken, waarvan u de auteur bent toch het symbool © te vermelden en aan dit symbool uw naam toe te voegen, in de wetenschap dat dit symbool juridisch gezien geen betekenis heeft, u geen enkel bijkomend recht biedt, maar u wel kan helpen het in uw voordeel voorziene wettelijke vermoeden met succes in te roepen.

1 2 27 28