Centrum van waakzaamheid als criterium voor EU-vestiging: wie vanuit de EU beheert, zal voor EU-rechtbank verschijnen.

Op 18 mei 2017 heeft het Hof van Justitie zich voor de eerste keer uitgesproken over de vraag wanneer een kleindochter vennootschap een EU-vestiging is. Het moest hierbij beslissen of een Deense verzoeker al dan niet Nike voor de rechtbank in Duitsland kon slepen.

Feiten

Hummel Holding is een Deense producent van sportartikelen. Hummel Holding is van mening dat Nike inbreuk heeft gepleegd op hun beeldenrecht. Nike zou zich schuldig gemaakt hebben aan het kopiëren van hun basketbalshorts. De producent heeft tegen Nike en Nike Retail een zaak aanhangig gemaakt voor het Landgericht Düsseldorf. Nike gaat niet akkoord met de bevoegdheid van de Duitse rechter. Daaropvolgend wordt een juridische vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Wanneer is men exact een EU-vestiging en is er dus een Europese rechter bevoegd? Het begrip staat immers niet in de verordening inzake Uniemerk gedefinieerd.

Nike, met de hoofdzetel in de Verenigde Staten, is de uiteindelijke moedermaatschappij van de Nike-holding. Nike Retail behoort ook tot deze holding en is gevestigd in Nederland. Zij exploiteert de Duitse website waarop de waren van Nike worden gepresenteerd en aangeboden. Hummel Holding vordert de staking van de invoer en de uitvoer, het adverteren, het aanbieden, het op de markt brengen en de intrekking van de toestemming voor het op de markt brengen van deze sportartikelen. Nu was de vraag of de wens tot bevoegdheid van de Duitse rechter tot de mogelijkheden hoorde van Hummel.

Beslissing

Het Hof heeft op deze vraag geantwoord: “art. 97, lid 1 UniemerkVo moet zo worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde juridisch onafhankelijke vennootschap, die een dochtervennootschap is van een moedermaatschappij die niet in de EU is gezeteld, een vestiging in de zin van deze bepaling van deze moedermaatschappij vormt wanneer deze dochter een centrum van werkzaamheid heeft dat, in de lidstaat waar zij is gelegen, beschikt over een vorm van werkelijke en stabiele aanwezigheid van waaruit een bedrijfsactiviteit wordt verricht, en dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van de moedermaatschappij”.

Na uiteengezet te hebben dat een “vestiging” nu een Europese definitie heeft, verantwoordde het Hof deze interpretatie door te stellen dat het Duitse Nike Retail “juridische onafhankelijkheid” heeft t.o.v. haar moeder. Haar bestaansreden zou de identificatie en vertegenwoordiging van Nike in de Europese Unie zijn. Deze factor leidt tot de conclusie dat de dochter een centrum van belangen heeft en daardoor een vestiging heeft in Duitsland. Het Hof wees er ten slotte op dat als een bedrijf buiten de EU de uitgebreide internationale jurisdictie van artikel 97 wil vermijden, dit bedrijf zijn commerciële organisatie of gebruik van zijn handelsmerk in Europa moet beperken.
De gevolgen van deze beslissing zullen niet lang uitblijven. Indien multinationals een Europese procedure willen vermijden zullen ze zich moeten herorganiseren. Immers zal een kwalificatie van een Europees centrum van waakzaamheid nooit veraf zijn.

Vragen over handelsrecht?

Bart Van den Brande staat u graag te woord op bart@siriuslegal.be of op 0486 901 931.

Auteur: Bob Beazar