Het uitleenrecht voor e-books herbekeken

Op 10 november 2016 oordeelde het Hof van Justitie dat er geen juridisch verschil bestaat tussen het uitlenen van een papieren boek en het uitlenen van e-books. Zij deed deze uitspraak naar aanleiding van de prejudiciële vragen die haar werden gesteld door de Rechtbank van den Haag, waar een proefproces was aangespannen door de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) tegen de Stichting Leenrecht.

Het leenrecht

Het auteursrecht is erop gericht om de oorspronkelijke auteur van een creatie te beschermen zowel op basis van zijn morele rechten als op basis van de vermogensrechten. Zo heeft de auteur een exclusief recht wat betreft het toelaten kopieën te nemen van zijn werk alsook het recht om exemplaren van een kopie te verspreiden. Op deze rechten worden echter ook enkele uitzonderingen voorzien, waaronder het openbaar leenrecht. De auteur kan de uitlening van werken van letterkunde, partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele werken niet verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht.

Dit leenrecht wordt verder gereglementeerd door richtlijn 2006 /115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (hierna: “Richtlijn 2006”). Deze richtlijn bepaald dat de auteur het uitsluitende recht bezit om het verhuur of het uitlenen van boeken toe te staan, maar dat de lidstaten voor openbare uitlening kunnen afwijken van dat uitsluitende recht, op voorwaarde dat de auteurs een billijke vergoeding krijgen voor deze uitlening.

Echter met de komst van de e-books werden de bibliotheken met een wetgeving geconfronteerd die niet was bijgebeend met de technologische vooruitgang. Het wetgevend kader was immers ontstaan op het moment dat de technologie om e-books commercieel te exploiteren nog niet bestond, minstens nog maar in kinderschoenen stond. Dat de Uniewetgever destijds de uitlening van e-books niet in overweging had genomen hoeft dan ook niet te verbazen.

 Nederland

Tot voor de uitspraak door het Hof van Justitie werd in Nederland bepaald dat e-books niet hetzelfde mochten gekwalificeerd worden als de papieren versie van een boek en de uitzondering met betrekking tot het leenrecht aldus niet van toepassing was op dergelijke elektronische boeken. Om de e-books alsnog te kunnen uitlenen besloot het VOB om licentieovereenkomsten aan te gaan met de uitgevers. De stichting Leenrecht werd belast met de incasso van de vergoedingen die hierdoor aan de auteurs verschuldigd waren.

De VOB had hier echter haar bedenkingen bij en was van mening dat Richtlijn 2006 ook van toepassing zou moeten zijn op het uitlenen van e-books. Het is immers zo dat ook e-books worden uitgeleend via het “one-copy-one-user principe”: het e-book dat de bibliotheek tot haar beschikking heeft wordt door de gebruiker voor de duur van de uitlening gedownload, en gedurende die bepaalde tijd is het desbetreffende e-book niet beschikbaar voor andere gebruikers van de bibliotheek. Na afloop van die termijn wordt het boek automatisch onbruikbaar voor de betrokken gebruiker en kan het door een andere gebruiker worden geleend. Met de hoop duidelijkheid te verschaffen besloot de VOB de Stichting Leenrecht te dagvaarden voor de Rechtbank van Den Haag in een proefprocedure. De rechtbank van Den Haag voelde aan dat dit een zeer precaire zaak was en besloot 4 prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie die kort samengevat neerkwamen op het volgende:

1)      Wat is de draagwijdte van de term “uitlening”, ressorteert het uitlenen van e-books hieronder wanneer gebruik wordt gemaakt van het one-copy-one-user principe.

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen lidstaten dan volgende voorwaarde opleggen: De door de instelling ter beschikking gestelde kopie van het werk moet in het verkeer worden gebracht door een eerste verkoop of andere eigendomsovergang van die kopie in de Unie door de rechthebbende of met zijn toestemming.

3)      In het geval het HvJ ontkennend antwoord op vraag 2, moet de ter beschikking gestelde kopie dan verkregen zijn uit legale bron.

4)      In het geval het HvJ bevestigend antwoord op vraag 2, wat is de draagwijdte van de term “eerste verkoop of andere eigendomsoverdracht van materiaal”.

Uit het advies van Advocaat-Generaal Szpunar van het HvJ blijkt duidelijk dat deze de mening van het VOB deelt. Hij is voorstander van een dynamische en evolutieve uitlegging van de richtlijn, waarbij e-books niet anders kunnen worden beschouwd dan een moderne equivalent van de papieren boeken. Hij brengt daarenboven in herinnering dat de belangrijkste doelstelling van het auteursrecht de bescherming van de belangen van auteurs is en dat in dit licht niet anders kan dan de e-books op te nemen onder de term “uitlening”.

Het Hof volgde bovenvermelde mening. Er bestaan volgens haar geen dwingende redenen om de uitlening van digitale kopieën en onstoffelijke voorwerpen hoe dan ook uit te sluiten van de werkingssfeer van de leenrichtlijn, De toelichting van de richtlijn kan geenszins zo begrepen worden als wou de commissie de digitale kopieën van het boek uitsluiten uit de draagwijdte van de term “uitlening”. E-books waren immers in die tijd nog geen gangbare producten en de toelichting spreekt zich enkel uit over de elektronische transmissies van film. Daarnaast stelt het Hof dat door het one-copy-one-user principe van de e-books ook deze niet meer door iemand anders te downloaden zijn wanneer uitgeleend aan iemand anders noch kan men het e-book nog lezen na het einde van de uitleentermijn. Volgens het Hof bestaat er dan ook geen reden om een e-book anders te kwalificeren dan het gewone papieren boek. Vraag 1 wordt aldus door het Hof bevestigend beantwoord.

In tegenstelling tot vraag 1, beantwoord het Hof vraag 2 ontkennend. Het Hof wenst te benadrukken dat de Auteursrichtlijn de Leenrichtlijn op geen enkele manier beperkt. Volgens haar wordt het uitleenrecht niet beperkt door andere manieren van verspreiding, zoals bijvoorbeeld verkoop. De auteur houdt derhalve zeggenschap over de vraag of zijn werk al dan niet mag worden uitgeleend. De uitzondering van het uitlenen is gericht op het creëren van een evenwicht tussen de belangen van de auteurs en de bevordering van de culturele activiteiten. Om aan dit evenwicht tegemoet te komen zal een auteur hiertoe zijn toestemming moeten geven en in ruil een vergoeding krijgen voor het uitlenen van zijn werk.

Na het ontkennend antwoord op vraag 2 richt het hof zich op de derde vraag. Het Hof acht het niet meer dan normaal dat lidstaten kunnen eisen dat de werken die openbaar worden uitgeleend afkomstig zijn van een legale bron. Ze is immers van mening dat piraterij te allen tijde moet bestreden worden, hier anders over oordelen zou piraterij net aanmoedigen in plaats van bestrijden.

Door de uitspraak van het Hof van Justitie blijkt duidelijk dat er geen verschil bestaat tussen het door de bibliotheek uitlenen van een papieren  boek of het uitlenen van een digitale kopie, op voorwaarde dat tijdens de uitleenperiode slechts één exemplaar van het e-book te downloaden is, en het exemplaar na de uitleenperiode niet meer beschikbaar is voor de lener.

Dat de VOB zeer tevreden is met de uitspraak van het Hof spreekt voor zich: “Zo kan de openbare bibliotheek een volledige, kwalitatieve, laagdrempelige en neutrale toegang tot informatie en literatuur blijven bieden.”

Vragen over auteursrecht?

Contacteer ons op info@siriuslegal.be of op 02 721 13 00