Dossier nieuwe vennootschapsrecht

28.06.2019 Bart Van den Brande

Een nv mag bestuurder niet meer zomaar aan de deur zetten

Het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen voert twee belangrijke wijzigingen door in de relatie van de vennootschap met haar bestuurders. Het klassieke verbod op de opzegbescherming voor bestuurders in de nv wordt afgeschaft. En de mogelijkheid tot het uitoefenen van een bestuursmandaat onder een arbeidsovereenkomst wordt sterk beperkt.

 

Naar een opzegbescherming voor bestuurders

Onder het voormalige vennootschapsrecht gold het principe van de zogenaamde “ad nutum” herroepbaarheid van het mandaat van een bestuurder. Zulks betekende dat een algemene vergadering het lopende mandaat van een bestuurder onmiddellijk kon beëindigen. Er moest geen opzegtermijn worden gegeven, noch opzegvergoeding worden betaald. De algemene vergadering moest zelfs geen redenen opgeven voor de beëindiging van het mandaat.

De “ad nutum” herroepbaarheid kon worden omzeild door laterale afspraken. Zo kon de bestuurder in kwestie bijkomende opdrachten krijgen, waarbij de betrokken overeenkomst wél voorzag in opzegbescherming. Of er konden – in voorkomend geval – op groepsniveau garantieafspraken worden gemaakt ten gunste van de bestuurder.

Van de regeling rond de “ad nutum” herroepbaarheid bij nv’s kon niet worden afgeweken, niet statutair, noch tussen partijen. De regeling was dan ook van openbare orde. Net daar voert het nieuwe WVV een verandering door. De “ad nutum” herrroepbaarheid blijft nog wel bestaan, maar de regel wordt van suppletief recht. Er kan dus een soort van “ontslagregeling” worden uitgewerkt binnen de nv en deze kan worden onderhandeld met de kandidaat-bestuurder bij aanstelling. Voorwaarde is wel dat de opzegregeling in de statuten wordt voorzien. Wordt er niet van afgeweken, valt men terug op de wettelijke regeling van de “ad nutum” herroepbaarheid.

Wanneer een opzegregeling wordt voorzien, komt ook het leerstuk van onmiddellijke beëindiging om wettige redenen in zicht. Zelfs wanneer de statuten in een opzegregeling voorzien hebben, moet het immers nog mogelijk zijn om het bestuursmandaat onmiddellijk te beëindigen in uitzonderlijke gevallen. Wanneer een bestuurder zich schuldig maakt aan zeer ernstige fouten of fraude, beschikt een algemene vergadering alsnog over de mogelijkheid om die bestuurder onmiddellijk en zonder opzeg of vergoeding af te zetten.

De “ontslagbescherming” voor bestuurders kan in de nv nog worden versterkt. Dit is mogelijk wanneer de nv kiest voor het bestuursmodel met de enige bestuurder. In dat geval kunnen de benoeming van de bestuurder en diens bescherming in de statuten verankerd worden.

Voor de bv’s en cv’s verandert er op dit vlak zo goed als niets. Daar was de “ad nutum” herroepbaarheid reeds van suppletief recht en mocht er dus van worden afgeweken in de statuten.

 

Geen bestuursmandaat meer onder arbeidsstatuut

De tweede wijziging focust eerder op het (sociaal) statuut van de bestuurder. Voor bestuurders en leden van het directiecomité was het vooralsnog niet mogelijk om hun mandaat uit te oefenen onder een arbeidsovereenkomst (met de betrokken vennootschap). Dit was voornamelijk het geval wanneer het bestuursorgaan of het bestuurslid in kwestie voldoende beslissingsmacht kon uitoefenen binnen de vennootschap en tevens over voldoende vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikte.

Met name bij de oude bvba’s kon gedacht worden aan de hypothese waarbij gekozen werd voor een “college van zaakvoerders” en er onderling een duidelijke hiërarchie werd bepaald. In dat geval kon er immers voorzien worden dat een collega-zaakvoerder zijn mandaat wel kon dragen onder een arbeidsovereenkomst.

Thans laat het WVV nog weinig marge tot interpretatie. De mogelijkheid voor bestuurders van vennootschappen om te opereren onder een arbeidsovereenkomst wordt uitgesloten. Dit geldt eveneens voor de leden van het voormalige “directiecomité”, de huidige “directieraad”. Voor zover werknemers van de vennootschap zetelen als lid van het directiecomité, en er wordt gekozen voor een duale beheersstructuur met “directieraad” met effectieve bestuursbevoegdheden, zullen de leden-werknemers een ander statuut moeten aannemen.

Net zoals dat vroeger ook mogelijk was, is het niet ondenkbaar dat een bestuurder of lid van de directieraad ook uitvoerende opdrachten heeft binnen de vennootschap en in dien hoofde een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten met de vennootschap. Een cumul van een bestuursmandaat en een gewone bezoldigde activiteit is dus niet helemaal onverenigbaar. In dat geval zal toch moeten worden aangetoond dat beide statuten los staan van elkaar. Concreet moet de bezoldigde activiteit effectief verschillen van het bestuursmandaat en moet er – net zoals bij andere arbeidsrelaties – sprake zijn van een ondergeschikt verband.

Voor de gedelegeerd bestuurder verandert er met de wetswijziging op dit punt niets. Deze kunnen in principe kiezen voor een statuut als werknemer, dan wel hun diensten leveren als zelfstandige dienstverlener.

 

Meer vragen over het bestuur en vertegenwoordiging van de vennootschap?

Contacteer ons gerust via info@siriuslegal.be of telefonisch op 02/721 13 00.

Dit artikel werd geschreven door Andries Hofkens die inmiddels Sirius Legal heeft verlaten. 

14.06.2019 Roeland Lembrechts

Het nieuwe vennootschapsrecht: flexibele overdracht van aandelen in de BV

Flexibilisering is één van de buzzwords in het nieuwe vennootschapsrecht: als aandeelhouder en bestuurder krijg je enorm veel mogelijkheden om jouw vennootschap te finetunen naar je wensen en noden. Oude dwingende regels zorgden ervoor dat je soms verplicht was om een vennootschapsvorm te kiezen die je werkzaamheden onder onaangename dwingende voorwaarden brachten of dat je gedwongen werd tot een oneigenlijk gebruik van een bepaalde vennootschapsvorm. Zo werden de S-BVBA en de E-BVBA afgeschaft en heb je onder de BV dezelfde mogelijkheden. Met de BV als koninginnenstuk van het nieuwe vennootschapsrecht, wordt ook voor velen de NV geen noodzakelijke vennootschapsvorm meer. Dit wordt onder meer mogelijk gemaakt door de vrijheid in de BV om de overdracht van aandelen te regelen.

 

Overdracht van aandelen werden in de oude BVBA aan banden gelegd.

De BVBA was vroeger een echte besloten vennootschap. De strikte wettelijke regeling maakte de overdracht van aandelen maar beperkt mogelijk, waarbij de overdracht enkel toegelaten was aan een medevennoot, aan de echtgenoot van de overdrager, aan bloedverwanten van de overdrager in de rechte lijn, of aan andere door de statuten toegelaten personen.

Overdracht van aandelen aan derden was ook mogelijk, maar enkel met de instemming van ten minste de helft van de vennoten, die ten minste drie vierde van het kapitaal bezitten, na aftrek van de aandelen die worden overgedragen.

De statuten van de BVBA konden hier weliswaar van afwijken, maar enkel als de afwijking strenger was. Het niet respecteren van deze strenge regelgeving leidde tot de nietigheid van de overdracht.

Van een soepele regeling was er bijgevolg geen sprake.

 

Overdracht van aandelen in de BV kunnen losbandig worden

De nieuwe vennootschapsregeling met betrekking tot de overdracht van aandelen voorziet in dezelfde regeling als vroeger, maar deze regeling is enkel aanvullend. Je kan nu vrij bepalen hoe de overdracht geregeld wordt. Voorzie je niets dan is de oude regeling van toepassing. Wijken de statuten er van af, dan kan er een verregaande openheid gecreëerd worden. Zo kan je je bij een vrije overdraagbaarheid zonder enige beperking, de vraag stellen waarom de vennootschap in dat geval nog ‘besloten’ wordt genoemd als vorm.

Het is ook niet meer nodig om een algemene vergadering bijeen te roepen. Een puur schriftelijke besluitvorming volstaat.

Weigeren een aantal aandeelhouders overigens zonder geldige reden om toe te stemmen in de overdracht dan is ook de procedure om deze weigering teniet te doen, versoepelt: Voortaan zal het vonnis onmiddellijk gelden als instemming met de overdracht, zonder dat er nog termijnen dienen afgewacht te worden.

Ook de sanctie is anders (maar heeft in de praktijk niet zo’n verschillend effect): misken je je eigen regeling of de aanvullende wettelijke regeling, dan is de overdracht niet tegenstelbaar aan de vennootschap of derden. De vennootschap en derden hoeven daarbij niet de kwade trouw van de overnemer van deze aandelen aan te tonen.

 

Aandeelhouders spannen de banden nu zelf aan!

Als aandeelhouder kan je allerlei overdrachtsbeperkende clausules opnemen in de statuten. (Vb. goedkeuringsquota, voorkooprechten, voorkeursclausules, , …) Dit gebeurde onder de BVBA ook reeds, maar hier bestond een discussie of deze afspraken wel tegenstelbaar waren aan derden, bijvoorbeeld de overnemer. Aan deze discussie is een einde gemaakt, zodat deze overdrachtsbeperkingen altijd tegenstelbaar zijn aan derden, zelfs al zijn zij te goeder trouw. Heeft een overdracht plaatsgehad met miskenning van deze overdrachtsbeperkingen, dan is deze niet tegenstelbaar aan de vennootschap of derden. Het is daarbij niet van belang of de overnemer ter goeder of ter kwader trouw handelde en evenmin of deze statutaire beperkingen in het aandelenregister werden opgenomen.

Overdrachtsbeperkingen kan je ook vastleggen in een aandeelhoudersovereenkomst, zonder deze op te nemen in de statuten van de vennootschap. Let daarbij wel op dat deze regeling geen versoepeling kan zijn van wat statutair geregeld is. Beperkingen in een aandeelhoudersovereenkomst kunnen dus enkel strenger zijn. Je kan als aandeelhouder vragen dat deze overdrachtsbeperkingen in de aandeelhoudersovereenkomst worden vermeld in het aandelenregister, wat nadien het bewijs vergemakkelijkt dat een derde overnemer ter kwader trouw was. Deze overnemer kan immers voor overname kennis nemen van deze beperkingen in het aandelenregister. In vergelijking met statutaire overdrachtsbeperkingen zijn louter contractuele overdrachtsbeperkingen niet automatisch tegenstelbaar: de kwade trouw van de overnemer, namelijk zijn derde-medeplichtigheid bij contractbreuk, dient bewezen te worden.

 

Meer vragen over de mogelijkheden die je hebt bij overdracht van aandelen in je nieuwe BV?

Neem dan gerust contact op met Roeland via roeland@siriuslegal.be of of telefonisch op 02/721 13 00.

07.06.2019 Bart Van den Brande

Investeerder in aantocht? Met het nieuwe vennootschapsrecht hou je de touwtjes in handen

We staan bij Sirius Legal sinds jaar en dag starters en groeibedrijven bij, vaak in technologiegebonden sectoren. Een van de dingen die heel wat van onze jonge, enthousiaste cliënten met elkaar gemeen hebben is dat hun snelle groei vroeg of laat tot de vaststelling leidt dat extra kapitaal noodzakelijk is.

De zoektocht naar een investeerder is daarbij de eerste uitdaging, maar zodra die investeerder gevonden is volgt een tweede, meer juridische uitdaging. Met de komst van vers kapitaal verschuiven immers ook de bestaande machtsevenwichten binnen een bedrijf en zeer vaak trekt de investeerder daarbij -al dan niet terecht- het laken naar zich toe.

We bespraken in deze serie de voorbije weken al heel wat aspecten van het nieuwe vennootschapsrecht. Vandaag bekijken we hoe de nieuwe regels gebruikt kunnen worden om alvast in de statuten de macht te verankeren bij de oprichters, tenminste in de mate dat men de onderhandelingsmarge heeft om onderstaande voorstellen op tafel te leggen. We geven hieronder enkele voorbeelden, maar de mogelijkheden zijn vanzelfsprekend veel ruimer dan dit kort bestek toelaat…

 

Aandeelhoudersovereenkomst of statuten

Het was in het verleden gangbaar om bij de intrede van nieuwe vennoten, of dat nu een investeerder was of een nieuwe actieve vennoot, meteen ook een aandeelhoudersovereenkomst af te sluiten. Die aandeelhoudersovereenkomst bevatte klassiek een aantal afspraken rond onderwerpen die niet in de statuten opgenomen konden worden en die bepaalde evenwichten en zekerheden tussen de aandeelhouders moesten garanderen. Voorkooprechten die ervoor moesten zorgen dat aandelen uit handen van derden bleven, standstill clausules die ervoor moesten zorgen dat iedereen zich voor een minimale termijn engageerde en zijn aandelen niet vroeger kon verkopen, stemafspraken over bepaalde gevoelige onderwerpen, het recht voor de ene of de andere om een bestuurder te benoemen en soms zelfs het recht voor de ene of de andere om bepaalde bedragen te factureren aan de vennootschap in functie van zijn ‘gewicht’ binnen de vennootschap, …

Het nieuwe vennootschapsrecht verschuift enigszins het gewicht van die aandeelhoudersovereenkomsten naar de statuten van de vennootschap zelf. Heel wat constructies die vroeger nodig waren in een aandeelhoudersovereenkomst, kunnen vandaag ook, soms op een andere manier, opgevangen worden in de statuten.

Waarom is dit belangrijk? Wel, een aandeelhoudersovereenkomst is wat de naam zegt: een overeenkomst. En overeenkomsten hebben hun beperkingen, ze kunnen verbroken worden, ze kunnen opgezegd worden, ze kunnen om verschillende redenen nietig blijken te zijn en -en dit is niet eens zo uitzonderlijk- er kan discussie bestaan over de inhoud en de geldigheid van het contract. Bovendien gelden aandeelhoudersovereenkomsten alleen tussen de aandeelhouders die ze effectief ondertekend hebben. Als één aandeelhouder niet tekent of als er later een nieuwe aandeelhouder instapt, kan de waarde van een aandeelhoudersovereenkomst al snel erg relatief blijken.

Als we echter een aantal veiligheidsmechanismen in de statuten zelf kunnen inbouwen, dan zitten die meteen gebetonneerd én zijn ze bindend ten aanzien van alle huidige en toekomstige aandeelhouders.

Het zal dus in de toekomst belangrijk worden om goed na te denken, niet enkel over welke afspraken nodig zijn, maar ook waar ze best ingebouwd kunnen worden, in de statuten zelf of in een afzonderlijke aandeelhoudersovereenkomst.

 

Ontslagbescherming bestuurders mogelijk

Een van de hoekstenen van de regels rond het bestuur van vennootschappen was in het verleden steeds het zogenaamde “ad nutum” ontslag van bestuurders, wat betekende dat een vennootschapsbestuurder op elk ogenblik, zonder motivering en zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen kon worden. Hierop waren wel wat remmen gegroeid in de rechtspraktijk, maar in se kon je als bestuurder elke dag te horen krijgen dat je de volgende dag niet terug hoefde te komen. Enkel statutair benoemde zaakvoerders hadden wat meer zekerheid in die zin dat hun ontslag een statutenwijziging vereiste en dus een meerderheid van stemmen op de daartoe bijeengeroepen algemene vergadering. Maar nog steeds gold dat het ontslag onmiddellijk, zonder opzegvergoeding en in se zonder specifieke reden kon gegeven worden.

Een en ander zorgde geregeld voor een wat precaire situatie voor de oprichters die een externe investeerder binnenhaalden en daarbij wel uit de brand konden slepen dat ze bestuurder mochten blijven. Hun mandaat was immers erg onzeker en kon op elk ogenblik en zonder veel uitleg eindigen.

Het nieuwe vennootschapsrecht verandert dit in aanzienlijke mate. Het is vanaf heden mogelijk om in de statuten te voorzien dat ontslag van bestuurders enkel mogelijk is op bepaalde welomschreven gronden. Dat verplicht de vennootschap om een ontslag ook effectief te motiveren en te toetsen aan de voorziene gronden. De oprichter/bestuurder die zich in een minderheid bevindt ten aanzien van de pas ingetreden investeerder kan zo alvast zorgen dat ontslag slechts mogelijk is in zeer beperkte specifieke gevallen, wat willekeur uitsluit.

Bovendien kunnen de statuten in de toekomst voorzien dat ontslag van bestuurders slechts mogelijk is met een bepaalde opzegtermijn en/of met een opzegvergoeding. Dat zorgt er in elk geval voor dat de bestuurder die dan toch zijn ontslag krijgt niet met lege handen op straat belandt, maar op zijn minst vergoed wordt of de tijd krijgt om een alternatief te zoeken.

Om het plaatje af te maken, kunnen voor het ontslag van bestuurders in de statuten ook bijzondere meerderheden of zelfs vetorechten voorzien worden, wat de positie van de oprichters/bestuurders binnen hun eigen vennootschap nog kan versterken.

 

Verschillende categorieën van aandelen

Het zal je uit onze eerdere bijdragen in deze reeks wellicht bijgebleven zijn dat vanaf nu ook in een bv (de vroegere bvba) gewerkt kan worden met verschillende categorieën van aandelen. Men kan bijvoorbeeld in de statuten voorzien in een reeks A-aandelen en een reeks B-aandelen. Elk van deze aandelen kan eigen stemrechten hebben.

Zo kan in een categorie tien stemrechten per aandeel toegekend worden en in de andere slechts één stemrecht per aandeel. Bovendien kan perfect voorzien worden dat voor bepaalde beslissingen een bijzondere meerderheid nodig is binnen een of elke van de aandelengroepen. Tenslotte kan aan een bepaalde categorie van aandelen individueel of in groep een vetorecht gegeven worden met betrekking tot bepaalde beslissingen.

Met bovenstaande mogelijkheden kan men vervolgens aan de slag gaan.

Men kan bijvoorbeeld aan de oprichtende aandeelhouders A-aandelen toekennen en aan de investeerder B-aandelen. Het kan dan perfect zo zijn dat die B-aandelen de meerderheid van stemrechten naar zich toe trekken, maar aan de A-aandelen kan wel voor bepaalde materies een vetostem gegeven worden (verkoop van handelsfonds, zetelverplaatsing naar het buitenland, fusie, splitsing of overname, vereffening of ontbinding, naamswijziging, …), zodat de ziel van de vennootschap -bij wijze van spreken- niet verkocht kan worden zonder het akkoord van de oprichters.

Minder sterk, maar ook werkbaar, is dat voor de hierboven weergegeven onderwerpen een vetorecht verleend wordt, maar dat die wel een meerderheid vereisen van 50, 60, 70, …% van de A-aandelen, zodat, opnieuw, bepaalde beslissingen niet genomen kunnen worden zonder het akkoord van de oprichters.

 

Inbreng van nijverheid

Er zijn nog heel wat meer interessante nieuwe mogelijkheden in het nieuwe vennootschapsrecht om de positie van oprichters beter te beschermen ten aanzien van investeerders die kapitaal aanbrengen en daarmee klassiek disproportioneel veel gewicht verkrijgen binnen de vennootschap.

Een van de interessante nieuwigheden is het feit dat men niet enkel meer kapitaal kan inbrengen of goederen in ruil voor aandelen, maar dat ook “nijverheid” (arbeidstijd) dus eigenlijk ingebracht kan worden. Dat betekent dat bij een kapitaalsverhoging bij intrede van een investeerder de initiële oprichters niet langer langs de zijlijn moeten blijven staan omdat ze geen financiële middelen hebben om een deel van de nieuwe aandelen voor zich te nemen. Dit is vandaag vaak het geval en daardoor “verwatert” het aandeel van de oprichters steeds verder bij elke kapitaalsverhoging. De oprichters die bij aanvang elk 50 van de 100 aandelen hebben, kunnen na twee kapitaalsrondes bijvoorbeeld wel nog steeds 50 aandelen hebben, maar als er inmiddels in totaal 500 aandelen zijn, is hun aandeel verwaterd van 50% tot 10% van het totaal.

Hoe kan dit opgevangen worden in de toekomst? Wel, het is niet ondenkbaar dat bij een kapitaalsverhoging en de daarmee gepaard gaande uitgifte van nieuwe aandelen een deel van die aandelen voorbehouden wordt voor een inbreng in ”nijverheid” door de bestaande oprichters of het bestaande management, dat op deze wijze proportioneel beter vertegenwoordigd kan blijven in het totale aandelenpakket van de vennootschap.

 

Tal van andere opportuniteiten

Het nieuwe vennootschapsrecht biedt tal van andere opportuniteiten, buiten de hierboven beschreven mogelijkheden.

Ben je oprichter/eigenaar van een snel groeiend bedrijf en dient de vraag naar extern kapitaal zich aan? Neem dan zeker even contact op voor een vrijblijvende babbel.

We bekijken graag met jou welke opties op tafel liggen en hoe we je eventueel kunnen bijstaan.

Mailen of bellen kan naar bart@siriuslegal.be of op 0486 901 931

28.05.2019 Bart Van den Brande

Nieuwe regels bij de oprichting van een bv

Eén van de grote vernieuwingen in het nieuwe Wetboek van Vennootschappen is de soepelere regeling rond bv’s, onder meer wat betreft de opstart ervan. Zo heb je bijvoorbeeld geen startkapitaal meer nodig en heb je grotere keuzemogelijkheden in je statuten. Maar, het verdwijnen van het verplichte startkapitaal betekent uiteraard ook dat er nieuwe regels rond de opstart in de plaats zijn gekomen.

 

Achtergrond

Wanneer je vóór 1 mei 2019 een nieuwe bvba opstartte, was je verplicht om een minimumkapitaal van 18.600 EUR te voorzien, waarvan 6.200 onmiddellijk volstort moest worden. Vanaf 1 mei 2019 moet je voor de opstart van een bv “toereikend aanvangsvermogen” hebben én beschikken over een financieel plan dat aan een aantal voorwaarden moet voldoen die strenger zijn opgevat dan onder de vorige wetgeving.

 

Toereikend aanvangsvermogen: wie, wat , waar, wanneer?

Als oprichter van een bv dien je erop toe te zien dat je bv bij de oprichting en dus bij het verlijden van de authentieke akte bij de notaris, over een eigen vermogen beschikt dat “toereikend” is om een periode van 2 jaar te overbruggen. Indien dit eigen vermogen zou bestaan uit een inbreng, dan moet die inbreng onmiddellijk volstort worden, tenzij de statuten anders zouden bepalen.

Naast eigen inbreng, kan je uiteraard ook een beroep doen op andere financieringsbronnen zoals bijvoorbeeld: een achtergestelde lening (bv. een lening via vrienden/familie) of zelf geld in de vennootschap pompen (of beter lenen aan de vennootschap) aan de hand van een rekening-courant,… Daarnaast is het ook mogelijk om een “inbreng van nijverheid” te doen, dit is eigenlijk een inbreng in natura van jouw (of die van één van de ander oprichters hun) arbeid. Jammer genoeg is de fiscale behandeling van een dergelijke inbreng in nijverheid niet zo interessant…

Dit toereikend aanvangsvermogen moet uiteraard bijeen gesprokkeld worden door de oprichters, maar daarnaast is het ook mogelijk om als gewone “inschrijver” opgenomen te worden in de oprichtingsakte. Een inschrijver is iemand die een inbreng in geld doet in de vennootschap, maar die geen oprichter is van de bv en om die reden ook niet aansprakelijk kan gesteld worden onder de oprichtersaansprakelijkheid. Dit is zodus een nieuwe, interessante en vooral veilige optie wanneer je investeert in een bv waarin je zelf geen actieve rol wenst op te nemen. Let wel, de aandeelhouders die wél oprichters zijn, moeten samen ten minste één derde van de aandelen bezitten.

 

Financieel plan : wat moet daarin staan?

Naast een toereikend aanvangsvermogen ben je ook verplicht om een financieel plan op te maken én neer te leggen bij de notaris op het moment van de oprichting. Volgende elementen maken verplicht deel uit van je financieel plan:

Beschrijving van de voorgenomen activiteit, overzicht financieringsbronnen en verstrekt zekerheden; openingsbalans en geprojecteerde balans na 12 en 24 maand (idem voor wat betreft de resultatenrekening); een cash-flow projectie voor minimaal 2 jaar na oprichting; Beschrijving van de hypothese gehanteerd voor prognose omzet/rentabiliteit.

Het is niet verplicht om beroep te doen op een financieel adviseur (bv. een boekhouder, accountant,…) voor het opstellen van dit plan, maar uiteraard is dit wel aanbevolen. Je financieel plan zal immers de toetssteen zijn voor je aansprakelijkheid als oprichter wanneer je binnen de 3 jaar na de oprichting failliet zou gaan. Daarenboven vormt een sterk financieel plan de basis voor een financieel gezonde onderneming.

 

Wanneer het fout loopt: oprichtersaansprakelijkheid

Indien de vennootschap binnen 3 jaar na de oprichting failliet gaat, kunnen de oprichters in bepaalde gevallen aansprakelijk worden gesteld indien blijkt dat het kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de activiteit over ten minste 2 jaar. In deze situatie kan aan de notaris ook gevraagd worden om het financieel plan dat destijds bij de oprichting neergelegd was, over te maken aan de rechtbank om na te gaan of dit realistisch was. De opmaak van een degelijk plan, al dan niet met hulp van een adviseur zal dus ook belangrijk zijn voor wat betreft je eventuele oprichtersaansprakelijkheid.

 

Vragen over het nieuwe vennootschapsrecht? Of over de opstart van een bv?

Contacteer ons gerust via info@siriuslegal.be of via 02/721 13 00.

20.05.2019 Roeland Lembrechts

Tijdslijn van het nieuwe vennootschapsrecht: wanneer op wat precies letten?

Ondertussen is 1 mei 2019 gepasseerd en is het nieuwe vennootschapsrecht in werking getreden. Dit betekent niet dat elke vennootschap of vereniging plots onderworpen is aan al deze nieuwe verplichtingen. De wet voorziet in een overgangsregeling, waarbij je telkens goed moet nakijken welke regels van toepassing worden en wat je precies moet doen om je conform te maken.

Wij geven alvast graag een chronologisch overzicht:

 

1 mei 2019

Vanaf deze datum zullen alle nieuwe op te richten vennootschappen en verenigingen automatisch onder het nieuwe vennootschapsrecht vallen.

Voor bestaande vennootschappen zal enerzijds de geschillenregeling tussen aandeelhouders, waaronder de uittrede en de uitsluiting voor de BV en de NV al onder de nieuwe bepalingen van toepassing zijn. Dit geldt voor de zaken die vanaf deze datum bij de rechtbank worden ingeleid. Lopende zaken die ingeleid werden voor 1 mei 2019 zullen nog behandeld worden onder de oude regelgeving.

Bestaande vennootschappen kunnen er voor kiezen om bij een statutenwijziging te bepalen of zij onder de nieuwe regelgeving vallen. Het nieuwe vennootschapsrecht zal dan van toepassing zijn vanaf het moment dat deze statutenwijziging gepubliceerd is. Het is belangrijk om te melden dat deze wijziging geldt voor de toepassing van het volledige nieuwe vennootschapsrecht. Je kan in je statuten dus in principe geen mix maken van het oude en het nieuwe vennootschapsrecht.

Voor een aantal bepalingen onder het nieuwe vennootschapsrecht heeft de koning nog de mogelijkheid om deze vervroegd (vóór 1 januari 2020) van toepassing te verklaren.

 

1 januari 2020

Alle nieuwe bepalingen zullen vanaf dan van toepassing zijn op alle vennootschappen, tenzij de statuten er in bepaalde gevallen van zouden afwijken. Het is van belang om bij een verschil tussen de statuten en de nieuwe wetgeving, na te gaan of de nieuwe toepasselijke bepaling dwingend of aanvullend is.

Is de bepaling dwingend, dan betekent dit dat de vennootschap in haar statuten hier niet van kan afwijken, ook al stond het voordien in de statuten. Wat in strijd is met deze nieuwe dwingende bepalingen wordt geacht ‘nooit geschreven’ te zijn. Je kan dus niet zomaar afgaan op wat er in je statuten geregeld staat.

Voorbeelden van dwingende regels zijn onder andere de regels inzake winstuitkeringen, de gewijzigde alarmbelprocedure, de gewijzigde belangenconflictprocedure, de gewijzigde uittredingsregels ten laste van het vermogen in de BV en in de CV, en het algemeen regime van de bestuurdersaansprakelijkheid.

Is de bepaling aanvullend, dan zal deze bepaling duidelijk melden dat de statuten er van kunnen afwijken. Bestaande afspraken in vroegere statuten blijven dan gelden of je kan in je nieuwe of gewijzigde statuten nog afwijkende regelingen voorzien.

Elke vennootschap moet vanaf nu bij de eerstvolgende statutenwijziging haar statuten aanpassen aan de nieuwe regelgeving, behalve wanneer het enkel gaat over de toepassing van het toegestane kapitaal, het uitoefenen van inschrijvingsrechten en de conversie van converteerbare obligaties.

Laat je statuten dus zeker goed screenen met het oog op de toepassing van de dwingende en aanvullende bepalingen.

Vanaf deze datum wordt tot slot in een automatische omvorming voorzien van het volgestort gedeelte van het kapitaal en de wettelijke reserve (van de BVBA en CVBA) naar een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening. Het niet gestort gedeelte wordt omgevormd in een eigen vermogensrekening ‘niet opgevraagde inbrengen’.

Voor de vennootschappen en verenigingen die verdwijnen onder de nieuwe wetgeving wordt een bijzondere regeling voorzien. Naargelang de rechtsvorm zullen bepaalde dwingende bepalingen van de (andere) vennootschapsvormen onder de nieuwe regelgeving van toepassing zijn op deze vennootschapsvormen.

 

1 januari 2024

Vanaf nu ben je best volledig in orde met de nieuwe wetgeving en meer bepaald met de omvorming van je vennootschap naar de juiste vennootschapsvorm. Indien dit niet gebeurd is, dan voorziet de wet een automatische omvorming als volgt:

  • de commanditaire vennootschap op aandelen wordt een naamloze vennootschap met een enige bestuurder
  • de landbouwvennootschap wordt een vennootschap onder firma en indien er stille vennoten zijn, een commanditaire vennootschap;
  • het economisch samenwerkingsverband wordt een vennootschap onder firma;
  • de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid wordt een vennootschap onder firma;
  • de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die niet aan de definitie van coöperatieve vennootschap in artikel 6:1 van het Wetboek beantwoordt, wordt een besloten vennootschap;
  • de beroepsvereniging en de federatie van beroepsverenigingen wordt een VZW.

Voor trage of onvoorzichtige bestuurders is er wel nog een respijttermijn voorzien. Zij kunnen tot 30 juni 2024 een algemene vergadering samenroepen om een correcte statutenwijziging en omvorming naar de juiste rechtsvorm te voorzien. Doen zij dat niet of te laat, dan zijn zij tegenover de vennootschap of derden persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die hieruit voortvloeit.

 

1 januari 2029

Voor de VZW en de IVZW is nog een aparte regeling voorzien: indien zij in hun statuten niets gewijzigd hebben, dan blijft tot 1 januari 2029 het voorwerp beperkt tot niet-winstgevende activiteiten. Pas na deze datum vervalt dit verbod op andere activiteiten.

Zij hebben er dus evengoed belang bij om tijdig hun statuten te wijzigen.

 

Statutenwijziging

Bij de NV blijven ongeacht de vorige data, de oorspronkelijke regels met betrekking tot de toebedeling van bevoegdheden aan het directiecomité en regels met betrekking tot het tegenstrijdig belang van toepassing tot de effectieve statutenwijziging.

 

Conclusie

Het nieuwe vennootschapsrecht sluipt stap voor stap in elke onderneming en het is van belang om tijdig na te kijken of de statuten en de rechtsvorm van je vennootschap of vereniging nog up-to-date zijn. De wetgeving wordt trapsgewijs dwingender en dwingender, waarbij uiteindelijk je aansprakelijkheid als bestuurder in het gedrang kan komen.

Maar uiteraard gaat het niet alleen over je eventuele aansprakelijkheid. De nieuwe wetgeving geeft aan aandeelhouders en bestuurders heel wat nieuwe mogelijkheden zodat het van belang is om na te kijken welke opportuniteiten het nieuwe vennootschapsrecht je kan bieden. Je moet dus zeker niet wachten op de trapsgewijze toepasselijkheidsregels van het nieuwe vennootschapsrecht, aangezien je er vandaag al alle voordelen uit kan halen.

 

Vragen over het nieuwe vennootschapsrecht?

Ben je benieuwd naar de mogelijkheden bij een statutenwijziging of wens je in de toekomst de noodzakelijke aanpassingen van je statuten te doen, neem dan gerust contact op met Roeland via roeland@siriuslegal.be.

14.05.2019 Bart Van den Brande

Coöperatieve vennootschap in het nieuwe WVV: enkel nog voor de échte coöperaties

In het kader van het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen lichten we hieronder een bijzondere vennootschap uit: de coöperatieve vennootschap. Deze vorm blijft behouden, maar de coöperatieve gedachte speelt voortaan een cruciale rol bij het bestaansrecht van de coöperaties. Bestaande coöperatieve vennootschappen die de coöperatieve gedachte missen, moeten zich omvormen naar de N.V. of de B.V.

 

Samen sterk

De coöperatieve gedachte zelf ligt aan de basis van het ontstaan van de coöperaties: vele kleine spelers verenigen zich in een collectieve zelforganisatie om tot schaalvoordeel te komen. De structuur werd succesvol uitgebouwd in de landbouwsector met veilingen, melkerijen en wijncoöperaties, maar ook in de financiële wereld met de Raiffeisenbanken. Auteurs verenigen zich in collectief beheer van hun rechten en consumenten werken samen met oog op samenaankoop. Vandaag zien we de samenwerkingsvorm nog terugkomen bij gezamenlijke energieproductie, korte keten-economie en zelfstandig samenwonen.

Coöperatieve vennootschappen werden ook voor andere doeleinden opgericht, los van de coöperatieve gedachte. De twee voornaamste redenen waren de mogelijkheid tot “vrije” toe- en uittreding van de vennoten, maar ook enkele fiscale gunstmaatregelen en vrijstellingen. Het gebruik van de coöperatieve vennootschap voor andere dan coöperatieve projecten was jarenlang voer voor discussie. Daar wilde men bij de herziening duidelijk vanaf.

 

Coöperatieve vennootschap

De vernieuwing van het Belgische vennootschapsrecht houdt ook een herschikking in van de vennootschapsvormen. Even werd gedacht aan de volledige afschaffing van de coöperatieve vennootschap, maar de rechtsvorm bleef uiteindelijk behouden, onder meer onder impuls van de Nationale Raad voor Coöperatie.

In het WVV verdwijnt de vroegere coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (CVOA) en blijft de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (CVBA) bestaan. Deze laatste wordt omgedoopt naar ‘coöperatieve vennootschap’ en wordt uitsluitend voorbehouden voor èchte coöperatieve samenwerkingsverbanden.

Coöperaties die louter werden opgericht met een winstgevend doel van de aandeelhouders, kunnen niet meer de vorm van een C.V. aannemen. Daarmee wil men dus komaf maken met het gebruik van de C.V. voor professionele vennootschappen van vrije beroepers. Het voornaamste doel van de C.V. moet bestaan in het voldoen aan de behoeften van haar aandeelhouders en/of de ontwikkeling van hun economische en sociale activiteiten. De C.V. kan zich bovendien laten erkennen als een sociale onderneming.

Het maatschappelijk doel, mét de coöperatieve gedachte, zal meer dan ooit een centrale rol spelen in het bestaan van de C.V. Het WVV voorziet in een mogelijkheid voor de aandeelhouders, het openbaar ministerie en iedere belanghebbende derde om de ontbinding van de C.V. te vorderen voor zover niet voldaan is aan deze voorwaarde.

 

Oprichting

Er verandert niets bijzonders aan de wijze van oprichting van een coöperatieve vennootschap. Er is nog steeds een minimum van drie oprichters vereist, en de mogelijkheid dat vennoten vrij in en uit kunnen stappen.  Een C.V. zal nietig zijn, wanneer niet aan het minimum van drie wordt voldaan. De oprichting moet ook nog steeds geschieden bij de notaris.

 

Voldoende aanvangsvermogen

Net zoals bij de B.V. valt ook bij de C.V. de vereiste van een minimumkapitaal weg. Daarentegen is het wel vereist dat de C.V. bij de oprichting over een eigen vermogen beschikt dat toereikend is in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid. Het gaat om een voldoende aanvangsvermogen dat bestaat uit eigen middelen en eventueel achtergestelde leningen.

Dat het vermogen voldoende moet zijn, moet duidelijk blijken bij de oprichting en kan aan de hand van het financieel plan worden beoordeeld. Het idee van een toereikend vermogen volgt uit de algemene zorgvuldigheidsplicht van oprichters.

Wanneer het aanvangsvermogen niet duidelijk toereikend is voor de normale uitoefening van de activiteit en de C.V. gaat binnen de drie jaar failliet, kunnen de oprichters hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor de overeenkomsten van de vennootschap.

 

Vrij aandeelhouderschap

Het principe van de “vrije” toe- en uittreding van aandeelhouders blijft behouden. Coöperanten kunnen hun aandelen in principe vrij overdragen aan anderen of teruggeven. Zij zijn in principe enkel gehouden tot het bedrag van hun inbreng.

 

Wat als de coöperatieve doelstelling ontbreekt?

Voormalige CVBA’s waarbij de coöperatieve doelstelling ontbreekt, zoals bij de samenwerking tussen vrije beroepers, zullen moeten worden omgezet naar een B.V. Het WVV maakt het mogelijk om met de B.V. als basis en mits de nodige statutaire voorzieningen, een flexibel aandeelhouderschap te creëren. Aandeelhouders die willen uittreden kunnen in dat geval aanspraak maken op een scheidingsaandeel uit het vermogen van de B.V.

Voormalige CVOA’s zullen moeten kiezen voor de C.V., indien aan de voorwaarden voldaan werd, of voor de B.V., als die voorwaarden niet voldaan zijn. Als de rechtspersoonlijkheid géén noodzakelijke voorwaarde is voor de aandeelhouders, kan ook voor een maatschap worden gekozen. In dat geval kunnen de aandeelhouders gebruik maken van een ruime contractuele vrijheid.

 

Meer weten over het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen?

Contacteer ons gerust via info@siriuslegal.be of bel ons even op 02/721 13 00.

Dit artikel werd geschreven door Andries Hofkens die inmiddels Sirius Legal heeft verlaten.

06.05.2019 Bart Van den Brande

Enkele fiscale gevolgen van het nieuwe vennootschapsrecht

Het is zover, het nieuwe vennootschapsrecht is effectief in werking getreden. Dit heeft echter ook de nodige fiscale gevolgen. Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) vereist ook een aanpassing van enkele bepalingen van het Wetboek Inkomstenbelastingen (WIB), daar de wetgever de neutraliteit van het nieuwe wetboek op fiscaal vlak wil waarborgen. Hiervoor werd reeds een wetsontwerp gestemd in de Kamer (28 februari 2019) en werd eveneens een ontwerp van Decreet ingediend in het Vlaams Parlement. In dit artikel bespreken we de verschillende fiscale gevolgen van het nieuwe vennootschapsrecht.

 

Statutaire zetelleer

De belangrijkste impact heeft zonder twijfel de invoering van de statutaire zetelleer, dit in contrast met onze werkelijke zetelleer in het fiscaal recht.

Om neutraliteit te waarborgen na de wijziging van dit aanknopingspunt in het vennootschapsrecht, heeft de wetgever artikel 2 WIB als volgt aangepast: “De vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft, wordt behoudens tegenbewijs vermoed daar ook haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer te hebben. Het tegenbewijs wordt enkel aanvaard indien er bovendien is aangetoond dat de fiscale woonplaats van de vennootschap in een andere Staat dan België is gevestigd volgens de fiscale wetgeving van deze andere Staat.

De wijziging in het vennootschapsrecht zorgt voor een breuk tussen de nationaliteit van een vennootschap en haar fiscale woonplaats. Men mag derhalve niet langer veronderstellen dat een vennootschap die onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting noodzakelijkerwijze ook onderworpen is aan het Belgische vennootschapsrecht. Voor de vennootschapsbelasting moet immers bij voortduur toepassing worden gemaakt van de werkelijke zetelleer. Als gevolg hiervan is een vennootschap die haar werkelijke zetel in België heeft, maar haar statutaire zetel in het buitenland, onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting, terwijl ze onderworpen is aan het vennootschapsrecht van de buitenlandse staat.

Om rekening te houden met de discrepantie tussen de nationaliteit en de fiscale woonplaats van een vennootschap, bepaalt art. 2 WIB voortaan dat de vennootschap, die haar statutaire zetel in België heeft, vermoed wordt ook haar werkelijke zetel in België te hebben. Dit vermoeden zal weerlegbaar zijn om te vermijden dat de hervorming van het vennootschapsrecht op fiscaal vlak een “dubbele niet-residentie” teweeg brengt.

 

De afschaffing van het begrip kapitaal

Een andere fundamentele wijziging die het nieuwe WVV introduceert, betreft het feit dat enkel nog de NV over een kapitaal zal beschikken zoals we dat nu kennen. Vanaf nu spreken we van “vermogen” voor alle vennootschapsvormen, buiten de NV.

In het WIB wordt voor de NV het begrip maatschappelijk kapitaal kortweg vervangen door het begrip kapitaal, maar dit begrip zal steeds hetzelfde zijn als vermeld in het WVV. Voor de BV en de andere vennootschapsvormen die geen kapitaal meer zullen hebben, wordt het fiscale begrip kapitaal gedefinieerd als het eigen vermogen dat gevormd wordt door de inbrengen in geld en in natura, met uitzondering van de inbreng in nijverheid.

In de BV kan dit kapitaal gekwalificeerd worden als gestort kapitaal voor fiscale doeleinden wanneer het desbetreffende eigen vermogen op een afzonderlijke rekening van het passief wordt geboekt.

Het begrip volstort kapitaal blijft dus ongewijzigd, en is met name de inbreng die werkelijk werd volstort in geld of in natura, met uitzondering van de inbreng in nijverheid. De uitgiftepremies blijven ook inbegrepen (aan dezelfde voorwaarden als voorheen).

Dit alles heeft echter ook een invloed op mogelijk (belastingvrije) kapitaalverminderingen, de DBI-aftrek, herkwalificatie van interesten, de thin cap, de notionele interestaftrek, kapitaalsverhogingen en –verminderingen,…

 

Uitkering van dividenden

De vraag stelt zich hoe de inkomsten behandeld worden die uitgekeerd worden ter vergoeding van een inbreng in nijverheid. Dividenden die een vergoeding zijn van effecten die een inbreng in nijverheid vertegenwoordigen, zouden kunnen worden aanzien als een gewoon dividend (art. 18 WIB). Dit wil zeggen, roerende inkomsten die onderworpen zijn aan de roerende voorheffing. Maar het kan niet worden uitgesloten dat zij aanzien worden als beroepsinkomsten, daar zij verbonden zijn aan een professionele activiteit (art. 30 en 32 WIB).

Deze inbreng geeft in geen geval recht op het verlaagd tarief van de “VVPR bis” dividenden, omdat het niet om een inbreng in geld gaat.

Nieuw is echter ook dat het verlaagd tarief in de roerende voorheffing op dividenden voortaan niet langer onderworpen zal zijn aan de voorwaarde volgens dewelke vennootschappen zonder minimaal maatschappelijk kapitaal worden uitgesloten van het voordeel van de maatregel, tenzij na de inbreng van het nieuw kapitaal het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap minstens gelijk is aan het minimaal maatschappelijk kapitaal van een BVBA” (art. 269§2 WIB). Dit laat de BV namelijk toe om van het verlaagd tarief te genieten (het kapitaal moet echter nog steeds volledig gestort worden).

 

Nieuwe mogelijkheden omvorming vennootschappen

Het wetsontwerp brengt wijzigingen aan het WIB om rekening te houden met de nieuwe mogelijkheden die het wetsontwerp van het WVV voorziet voor de omvorming van vennootschappen.

We denken hierbij bijvoorbeeld aan de omvorming van een vennootschap in een vzw of aan de omzetting van een Belgische vennootschap in een buitenlandse vennootschap. In het laatste geval kan de reorganisatie ook gepaard gaan met de verplaatsing van de zetel naar het buitenland. Dit heet ‘fiscaal relevante emigratie’: de zetel van werkelijke leiding kan verschillend zijn van de statutaire/maatschappelijke zetel.

Het wetsontwerp zorgt niet voor substantiële wijzigingen aan de fiscale wetsbepalingen, maar streeft ernaar om de bewoordingen en het begrippenkader van het WIB in overeenstemming te brengen met die van het nieuwe WVV.

Net zoals voorheen blijft het uitgangspunt dat de wijziging van de rechtsvorm op zich een fiscaal neutrale handeling is. Dit betekent dat een belastingvrijstelling van toepassing is mits de omzetting gebeurt zonder onderbreking van de rechtspersoonlijkheid en in overeenstemming is met het rechtspersonenrecht dat de omzetting beheerst. Het is niet meer dan logisch dat bv. de omvorming van een NV in een BV (de rechtsopvolger van de bvba) niet leidt tot enige belastingheffing.

Indien daarentegen de wijziging van rechtsvorm gepaard gaat met de emigratie van de vennootschap en zij dus niet langer aan de Belgische vennootschapsbelasting onderworpen wordt, zal dit fiscaal in principe wel als een vereffening beschouwd worden. Het wetsontwerp verandert dit niet.

De wijziging van de rechtsvorm kan er ook toe leiden dat een rechtspersoon de overgang maakt van de vennootschapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting. Dit kan o.m. het geval zijn indien een vennootschap wordt omgezet in een vzw of een stichting waarvan de ondernemingsactiviteiten dermate beperkt zijn dat de vzw of de stichting aan de rechtspersonenbelasting wordt onderworpen als gevolg van een wijziging van haar activiteiten.

Zoals je merkt is de fiscale impact van het WVV niet gering en dit ook zeker op het vlak van de Gewesten die momenteel ook het nodige aan het doen zijn om hun wetgeving aan te passen en deze zo fiscaal neutraal te maken.

Het nieuwe WVV was een absolute noodzaak om op internationaal vlak terug mee te spelen, doch de ruime implicaties ervan zijn, zoals steeds met grote wijzigingen, niet te onderschatten.

 

Vragen over de fiscale gevolgen van het nieuwe vennootschapsrecht?

We staan graag voor je klaar.  Neem vrijblijvend contact op met Dirk Bogaerts of een van de andere leden van ons team via dirk@siriuslegal.be of op +32 495 103 834

 
30.04.2019 Bart Van den Brande

De omschakeling naar de statutaire zetelleer en de nieuwe regels omtrent de grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing).

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bevat twee vernieuwingen die van groot belang zijn voor de ontwikkeling van internationale zakelijke activiteiten, namelijk:

  • de goedkeuring van de doctrine van “statutaire zetel” als een systeem voor het bepalen van het recht van toepassing op ondernemingen
  • een specifieke procedure voor de grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing) van ondernemingen.

Er bestaan twee theorieën over de bepaling van het toepasselijk vennootschapsrecht (lex societatis) in de Europese Unie: de theorie van de statutaire zetel (oprichting) en de theorie van de werkelijke zetel (centrale administratie of hoofdkantoor).

Overeenkomstig de “statutaire zetel”-leer worden rechtspersonen steeds beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied hun zetel volgens de statuten wordt gevestigd. Andere mogelijke aanknopingsfactoren, zoals de plaats van waaruit de vennootschap wordt geleid, de locatie van haar voornaamste productiefaciliteiten of de nationaliteit van haar voornaamste aandeelhouders spelen geen rol.

De “werkelijke zetel”-leer daarentegen houdt in dat een rechtspersoon wordt beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de voornaamste vestiging van de rechtspersoon zich bevindt, althans indien een derde er in slaagt te bewijzen dat deze voornaamste vestiging zich op een andere plaats dan de statutaire zetel bevindt.

In tegenstelling tot de situatie vóór de hervorming, waarbij het op een rechtspersoon toepasselijke recht kon gewijzigd worden ten gevolge van een verplaatsing van de werkelijke zetel van de vennootschap, zal het toepasselijke recht, thans na de hervorming, enkel wijzigen middels de procedure tot grensoverschrijdende omzetting.

 

De toepasselijke wet vóór de hervorming

Het Belgisch recht kende met de “werkelijke zetel”-regel een correctiemechanisme voor het geval waar een vennootschap een rechtsvorm koos, dat beheerst werd door het vennootschapsrecht van een jurisdictie waarmee het geen enkele feitelijke band had.

Het principe (in België) was dus dat een vennootschap (of vzw) werd beheerst door het recht dat de oprichters/aandeelhouders hadden gekozen tenzij er een afwijking was tussen het toepasselijke (gekozen) recht van de vennootschap of vzw en de realiteit van de activiteiten van deze vennootschap of vzw.

Deze werd enkel als problematisch beschouwd wanneer de voornaamste vestiging van de vennootschap (werkelijke zetel) zich in België bevond. Zulks betekende bijvoorbeeld dat een bedrijf zijn statutaire zetel in het buitenland ingeschreven kon hebben, maar dat in de praktijk het administratieve en beslissingscentrum van de vennootschap of vzw in België was gevestigd.

De “werkelijke-zetelleer”, verhinderde dat de oprichters, of later de aandeelhouders, een vennootschapsrecht kozen dat hen goed uitkwam, louter omdat de bescherming van derden er minder is (bijv. omdat er voor de toepassing van de bestuursaansprakelijkheid een hogere drempel geldt, omdat het bekomen van kwijting makkelijker is, omdat er minder dwingende regels zijn bij de vereffening of omdat aandelen aan toonder worden toegelaten).

 

Omschakeling naar de statutaire zetelleer in overeenstemming met de Europese rechtspraak

De rechtspraak van het Europese Hof van Justitie heeft een sleutelrol gespeeld bij de ontwikkeling van het recht op bedrijfsmobiliteit binnen de Europese Unie, met een brede interpretatie van het recht van vrije vestiging.

Een belangrijk gevolg van deze ontwikkeling is de aanzienlijke beperking van de reikwijdte van de “werkelijke zetel”-leer die traditioneel in België werd toegepast. Deze is trouwens alleen van toepassing op toepassing van het vennootschapsrecht. Er zijn bijvoorbeeld geen gevolgen voor fiscaal, sociaal, insolventie- of milieurecht.

In overeenstemming met deze rechtspraak en om meer internationale bedrijven aan te trekken heeft het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen een nieuw artikel geïntroduceerd dat in wezen zorgt voor de omschakeling naar de statutaire zetelleer.

De bepaling verduidelijkt immers dat vennootschappen, verenigingen en stichtingen enkel door de bepalingen van dit Wetboek kunnen worden beheerst indien zij hun statutaire zetel in België hebben.

Ingevolge de afschaffing van de “werkelijke zetelleer” vormt de statutaire zetel het enige intern-rechtelijk aanknopingspunt waaraan rechtspersonen moeten voldoen om aan de regels van dit wetboek te worden onderworpen.

De ligging van de statutaire zetel wordt via de geëigende wegen bekend gemaakt.

Zij kan reeds van bij de oprichting van de rechtspersoon in België zijn gelegen, wanneer deze naar Belgisch recht werd opgericht.

De statutaire zetel kan ook naderhand naar België worden verplaatst, waarbij vennootschappen gebruik moeten maken van de procedure tot grensoverschrijdende omzetting.

 

Nieuwe regels voor grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing) van hoofdkantoren van ondernemingen

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn de lidstaten verplicht een dergelijke verplaatsing van de statutaire zetel toe te staan. Volgens het recente arrest Polbud (arrest C-106/16 van 25 oktober 2017) wordt de omzetting van de statutaire zetel beschermd door het recht op vrije vestiging, ook als deze wordt geëxploiteerd zonder overdracht of verwerving van enige economische activiteit.

Een ander element van complexiteit vloeit voort uit de recente publicatie van een voorstel voor een Europese richtlijn van 25 april 2018, tot wijziging van Richtlijn 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende transformaties.

Voor de hervorming, de grensoverschrijdende omzetting (zetelverplaatsing) van het hoofdkantoor van een vennootschap was  al gebruikelijk, maar er ontbrak een wettelijk regime.

Vennootschappen konden ook gemakkelijk een onrechtstreekse grensoverschrijdende zetelverplaatsing organiseren, door gebruik te maken van een (wel wettelijk geregelde) grensoverschrijdende fusie waarbij zij worden overgenomen door een hiervoor opgerichte buitenlandse dochtervennootschap.

De nieuwe wet voorziet in een specifieke regelgeving die zowel de emigratie als de immigratie van bedrijven regelt. Daarbij horen ook beschermende maatregelen voor de schuldeisers en aandeelhouders van de betreffende onderneming, wat dit soort transacties zeker complexer zal maken.

In casu, bij emigratie uit België kunnen de vennootschapsschuldeisers een zekerheid eisen, wat dezelfde bescherming biedt als bij de kapitaalvermindering in een NV. Bij immigratie van een buitenlandse vennootschap in België zal het bewijs moeten worden voorgelegd dat aan de voorwaarden gesteld door het buitenlandse recht is voldaan (bv. certificaat van notaris of rechtbank) en zal een financiële staat in België moeten worden aangeleverd die inzicht geeft in de vermogenstoestand van de vennootschap op het moment van haar immigratie.De voorgestelde wettelijke regeling beschermt sta-keholders dus verregaand, terwijl naar huidig recht dergelijke waarborgen niet bestaan, ook al gebeurt de zetelverplaatsing zoals gezegd courant.

 

Conclusie

Volgens sommigen zou België met deze wetswijziging een belastingparadijs worden. Minister van Justitie Koen Geens is het daar niet mee eens.

De statutaire zetel is alleen van belang voor het vennootschapsrecht, niet voor de belastingwetgeving, die alleen naar de realiteit kijkt. Het is niet omdat een onderneming haar hoofdzetel heeft in Groot-Brittannië of Luxemburg, dat deze daarmee de Belgische belastingregimes kan ontwijken. Deze hervorming heeft geen fiscale gevolgen.

De gewijzigde regels rond toepasselijk vennootschapsrecht houden dus een omzetting in van eerdere, vaste Europese rechtspraak. Maar het roept ook een aantal vragen op, met name naar bepaalde antimisbruikmaatregelen die het liberalisme van het nieuwe systeem zouden kunnen tegenwerken.

Vragen over je vennootschap?

We staan graag voor je klaar.  Neem vrijblijvend contact op met Bart Van den Brande of een van de andere leden van ons team op bart@siriuslegal.be of op +32 486 901 931

23.04.2019 Bart Van den Brande

Nieuwe spelregels voor jouw VZW

Onze recente blogartikels behandelden reeds verschillende onderwerpen omtrent de recente wetswijzigingen voor vennootschappen. Op 1 mei 2019 treden echter ook aangepaste regels in werking voor verenigingen. De VZW-wetgeving in de wet van 1921 op de verenigingen en stichtingen wordt immers mee opgenomen in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: “WVV”). Naast deze codificatie werden ook enkele wijzigingen doorgevoerd. We overlopen graag even deze wijzigingen.

 

Oprichting

Voor de oprichting van een VZW moest je vroeger met z’n drieën zijn. Vanaf 1 mei 2019 zullen twee oprichtende leden volstaan.

De oprichtingsakte zal vanaf nu binnen de 30 dagen na de oprichtende algemene vergadering moeten worden neergelegd. Deze termijn is nieuw, want vroeger bestond er geen echte neerleggingstermijn. Ook voor de erkenning en overname van voorbereidende (rechts-)handelingen, gesteld in de aanloop naar de oprichting van een VZW, wordt de regeling strenger, want de termijn hiervoor wordt verkort van zes naar drie maanden.

 

VZW = Onderneming

De vereniging zonder winstoogmerk zal worden beschouwd als een “onderneming”. Dit is ongetwijfeld één van de belangrijkste en meest ingrijpende wijzigingen. De kwalificatie als onderneming heeft veel meer om het been dan enkel het label.

VZW’s kunnen voortaan failliet verklaard worden. Daar waar het faillissement vroeger weggelegd was voor “handelaars”, werd het insolventierecht op dat vlak gevoelig uitgebreid met de Insolventiewet van 11 augustus 2017 tot invoeging van Boek XX in het WER. Sinds vorig jaar werd het faillissement breder opengetrokken naar “ondernemingen”. VZW’s vallen hier binnenkort ook onder en kunnen dus het voorwerp uitmaken van een faillissement. Tot nog toe was dat niet het geval en kon er enkel sprake zijn van een “deficitaire vereffening”.

De voormalige “Rechtbank van Koophandel” werd reeds omgedoopt tot “Ondernemingsrechtbank” en zal onder meer ook bevoegd zijn voor het beslechten van geschillen tussen twee VZW’s.

 

Winst en winstoogmerk

De wetswijziging biedt ook een wettelijke verduidelijking en liberalisering van het begrip “winstoogmerk”. De VZW blijft weliswaar een “vereniging zonder winstoogmerk”, maar de nieuwe WVV verduidelijkt dat het de VZW’s voornamelijk verboden is om aan haar leden een “vermogensvoordeel” uit te keren. Met vermogensvoordeel wordt niet enkel een dividend of andere vorm van winstuitkering bedoeld, maar kan verschillende vormen aannemen. Wedden aan personeel of onkostenvergoedingen aan vrijwilligers blijven wel mogelijk binnen de geldende normen.

De wetswijziging is minder ingrijpend dan het op het eerste zicht lijkt. Het verbod op winstuitkering bestond vroeger ook al. En hoewel er tevens een verbod werd voorzien op het voeren van handel en nijverheid, gaf Cassatierechtspraak uit 1935 reeds dat dergelijke activiteiten wél toegelaten waren voor zover deze steeds het belangeloos doel van de VZW ondersteunden.

 

Bestuur en Administratie

De VZW zal onder de nieuwe WVV op een gelijkaardige wijze bestuurd worden als daarvoor. De Raad van Bestuur beraadslaagt collegiaal en heeft het recht om periodiek kwijting te vragen voor haar bestuur. Bestuurders mogen thans wél woonplaats kiezen op de zetel van de VZW voor de uitoefening van hun mandaatsactiviteiten.

De bestuursaansprakelijkheid blijft grotendeels ongewijzigd: bestuurders zijn jegens de VZW enkel aansprakelijk voor zover hun handelingen en beslissingen het gedrag van een normaal, voorzichtig bestuurder in gelijkaardige omstandigheden kennelijk te boven gaan. De WVV voert wél een nieuwe hoofdelijkheid in het leven lastens de bestuurders en ten gunste van zowel de VZW zelf als derden. Deze hoofdelijkheid zal gelden wanneer het bestuur een overtreding begaat op de statuten of de WVV, zelfs wanneer het bestuur géén college vormt.

Minder ingrijpend, maar evenzeer een aandachtspunt is de verplichting van VZW’s om zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De registratie mag dan wel verplicht zijn, voor VZW’s is deze kosteloos.

Daarnaast voert de nieuwe WVV verschillende wijzigingen door omtrent de verenigingsadministratie. Waar iedere VZW op de zetel een papieren ledenregister diende bij te houden, mag dat voortaan ook elektronisch. De rechten en plichten van de leden moeten wel steeds statutair worden vastgelegd en mag zulks niet meer in een “huishoudelijk reglement” of een ander niet-statutair document.

Een VZW handelt via haar organen. Contracten sluiten kan dus enkel bij optreden van haar bestuurders en vertegenwoordigers en binnen de grenzen van hun vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat is niet nieuw. Maar bij de vertegenwoordiging naar buiten toe moeten de bestuurders erover waken dat alle contracten, akten en stukken die de VZW moeten binden, tevens melding maakt van de hoedanigheid van vertegenwoordiging van alle ondertekenaars.

 

Fusies, overnames en splitsingen

De oude wetgeving voorzag geen regeling voor fusies, overnames en splitsingen van VZW’s met andere rechtspersonen. Indien er zich toch een dergelijke casus voordeed, moest dit op een eerder organische manier afgehandeld worden.

Aandelentransacties met een VZW als voorwerp zijn om evidente redenen niet mogelijk. Concentraties van VZW’s moeten noodgedwongen verlopen via een overdracht of inbreng van vermogen of vermogensbestanddelen. De WVV voorziet thans wél in een regeling van tegenstelbaarheid aan derden. Inbreng van vermogen moet worden gepubliceerd in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad, overdracht van onroerende goederen moet worden overgenomen in het hypotheekregister en voor immateriële activa moet de betrokken registratie worden aangepast.

De omzetting van VZW’s naar internationale VZW’s (of “IVZW”) of naar coöperatieve vennootschappen wordt ook mogelijk gemaakt.

Behoudens de mogelijkheid tot faillissement werd weinig gewijzigd aan de regels omtrent vereffening en ontbinding. De wetgeving voorziet thans wel in een zogenaamde “ééndagsvereffening”, waarbij de vereffening in één akte kan worden behandeld. In dat geval moeten alle schulden vereffend zijn, er mag geen vereffenaar aangesteld zijn en alle leden moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de algemene vergadering en de vereffening unanimiteit goedgekeurd hebben.

 

Inwerkingtreding

De WVV treedt in werking op 1 mei 2019. Vanaf dan zal iedere oprichting van nieuwe VZW’s dienen te verlopen volgens de nieuwe regels.

Voor bestaande VZW’s zal de nieuwe wetgeving pas van toepassing worden op 1 januari 2020. Zij krijgen wel nog tot 1 januari 2024 de tijd om hun statuten in overeenstemming te brengen met de WVV.

 

Advies nodig bij de opstart, het bestuur of de omvorming van jouw VZW? 

Contacteer ons gerust via mail (info@siriuslegal.be) of telefoon (02/721 12 00).

Dit artikel werd geschreven door Andries Hofkens die inmiddels Sirius Legal heeft verlaten.

12.04.2019 Bart Van den Brande

Het nieuwe vennootschapsrecht: welke rechtsvorm moet ik als starter nu kiezen?

Het nieuwe vennootschapsrecht treedt op 1 mei 2019 in werking en verandert in grote mate het bestaande vennootschapsrecht. Eén van de vragen die zich stelt is: welke rechtsvorm moet ik nu kiezen als starter? Sirius Legal licht de verschillende opties toe.

 

Eénmanszaak of vennootschap?

Als je als ondernemer geen vennootschap opricht, dan kan je als “eenmanszaak” werken na het aanvragen van je ondernemingsnummer bij één van de ondernemingsloketten. Dit wil zeggen dat je een ondernemingsnummer hebt dat op jouw naam staat en waarmee je je activiteit kan ontplooien binnen de grenzen van de NACEBEL-codes die je hebt geregistreerd.

Als éénmanszaak is het zo dat het vermogen dat je opbouwt met je zaak en je eigen vermogen één geheel vormen. In geval van faillissement zullen de schuldeisers dus je gehele vermogen kunnen aanspreken, aangezien er geen onderscheid bestaat tussen je privé en beroepsvermogen.

Bij de keuze voor een vennootschap is er wél sprake van een afgescheiden vermogen, hetgeen een aantal voordelen oplevert voornamelijk in geval van insolventie. Uiteraard zijn hier wel een aantal bijkomende voorwaarden aan verbonden qua oprichting, boekhoudkundige formaliteiten en administratieve formaliteiten,… Bovendien is het zo dat, hoewel je een afgescheiden “rechtspersoon” creëert, je niet altijd je privé vermogen kan vrijwaren in geval van faillissement. Dit hangt echt af van de vennootschapsvorm die je kiest.

 

Welke vennootschapsvormen kan je kiezen?

De rechtsvormen die je als starter kan kiezen in het nieuwe vennootschapsrecht zijn beperkter dan vroeger. De S-BVBA en de E-BVBA worden afgeschaft, net zoals de Commanditaire vennootschap op aandelen (Comm. V.A.), de CVBA en CVOA.

Voortaan zullen de meest courante startersvennootschappen de volgende zijn: de BV (die de BVBA vervangt), de Vennootschap onder Firma (VOF), de Commanditaire vennootschap (Comm. V.) (of in mindere mate de Coöperatieve Vennootschap (CV).

Het belang van de Coöperatieve Vennootschap neemt wel af in die zin dat de juridische flexibiliteit waardoor voorheen voor de CVBA werd gekozen, onder het nieuwe vennootschapsrecht komt te vervallen door de mogelijkheden die de BV biedt. De CV zal voorbehouden blijven voor deze bedrijven met een écht coöperatief gedachtegoed en zal niet langer interessant zijn voor bijvoorbeeld professionele vennootschappen van vrije beroepers.

 

Welke zijn de voor-en nadelen van de verschillende vennootschapsvormen?

Besloten Vennootschap (BV)

Voordelen

  • Het nieuwe vennootschapsrecht biedt heel veel mogelijkheden om zelf een aantal zaken te regelen in de statuten waaronder: vrije overdracht van aandelen, meervoudig stemrecht,…
  • Geen minimumkapitaal  nodig maar wel “toereikend aanvangsvermogen” aangetoond op basis van een financieel plan
  • Mogelijkheid van slechts 1 vennoot

Nadelen

  • Je hebt een notariële akte nodig voor de oprichting;
  • De boekhoudkundige verplichtingen zijn zwaarder dan bij een eenmanszaak.

Vennootschap onder firma (VOF)

Voordelen

  • Kan opgericht worden aan de hand van een onderhandse akte en dus zonder tussenkomst van de notaris;
  • Er is geen minimumkapitaal vereist;
  • De aandelen zijn niet overdraagbaar, waardoor het familiaal karakter gewaarborgd blijft.

Nadelen

  • Alle vennoten zijn hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk.

Commanditaire Vennootschap (Comm. V.)

Voordelen

  • Niet enkel beherende vennoten mogelijk (zoals in de VOF), maar ook stille vennoten of geldschieters;
  • De stille vennoten of geldschieters zijn maar aansprakelijk ten belope van hun inbreng;
  • Oprichting kan via een onderhandse akte.

Nadelen

  • De Comm. V. mag geen winst uitkeren zolang er overgedragen verlies is;
  • De beherende vennoten zijn hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk;
  • De stille vennoten zijn enkel hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk indien zij zich inlaten met het bestuur van de vennootschap.

Coöperatieve vennootschap (CV)

Voordelen

  • Alle vennoten zijn slechts aansprakelijk voor het bedrag van hun inbreng in de CV.

 Nadelen

  • Moet door 3 personen opgericht worden bij notariële akte;
  • Een financieel plan is noodzakelijk;
  • De vennoten kunnen gemakkelijk in- en uittreden.

 

Hoe kies je nu de meest geschikte vennootschapsvorm?

De keuze voor de meest geschikte vennootschapsvorm zal afhangen van een aantal factoren waaronder: of je alleen bent of er een geldschieter is, of er voldoende startkapitaal is of niet, of er een financieel plan is (wat uiteraard altijd aanbevolen is), of je in een risicovolle sector werkt, of je heel veel moet investeren in materiaal of stock of je net enkel diensten verkoopt,… Al deze elementen moeten in aanmerking worden genomen bij de keuze van de juiste vennootschapsvorm.

 

Advies nodig bij de keuze van je vennootschapsvorm of heb je andere vragen als starter?

Contacteer ons via mail (info@siriuslegal.be) of telefoon (02/721 12 00).  

09.04.2019 Bart Van den Brande

Nieuwe vennootschapsrecht: is het nuttig om je maatschap, vof of gcv om te vormen naar een bv?

De hervorming van het vennootschapsrecht vormt voor jou als ondernemer een ideale gelegenheid om even stil te staan bij de vraag of de organisatie van je vennootschap vandaag eigenlijk wel ideaal is en of het nieuwe vennootschapsrecht misschien opportuniteiten biedt om de juridische omkadering van je vennootschap beter, veiliger of efficiënter te organiseren.  Dat is vanzelfsprekend in de eerste plaats zo voor wie vandaag binnen een bvba werkt en deze binnen afzienbare tijd moet omvormen naar een bv, maar ook wie vandaag bijvoorbeeld onder een gcv werkt of een vof of maatschap heeft moet zich ons inziens afvragen of dit in de toekomst nog wel de meest aangewezen vennootschapsvorm is.

 

Maatschap, gcv en vof, vennootschapsvormen met verbazend veel succes

De gewone commanditaire vennootschap of gcv en de vennootschap onder firma of vof zijn in ons oude vennootschapsrecht eigenlijk een beetje stiefkindjes binnen de familie van verschillende vennootschapsvormen.  Ze vormen een kleine minderheid van alle vennootschappen puur wat hun aantal betreft en ook binnen het vennootschapsrecht zelf wordt er slechts zeer beperkte aandacht aan besteed. Tegen de lange gedetailleerde hoofdstukken in ons Wetboek Vennootschappen die de werking van de nv en de bvba regelen vallen de regels in verband met de gcv en de vof immers duidelijk in het niet.

En toch blijken deze drie vennootschapsvormen relatief populair, vooral bij startende ondernemers en bij eenmanszaken zoals bijvoorbeeld zelfstandige consultants. Aan de vof en de gcv in hun oude vorm zijn immers een aantal duidelijke voordelen verbonden.

Het grote voordeel van de drie vormen is dat zij opgericht kunnen worden zonder minimumkapitaal, zonder financieel plan en zonder dat je als ondernemer langs de notaris moet om statuten op te stellen.  Bovendien ben je niet verplicht om een volledige dubbele boekhouding te voeren en jaarrekeningen te publiceren, zoals dat in de bvba wel verplicht is.

Snel, goedkoop en eenvoudig dus.  Wie vandaag een gcv wil opstarten heeft alleen een stukje papier nodig voor de oprichtingsakte en een stille vennoot die die oprichtingsakte mee wil ondertekenen.  Idem voor de vof, het volstaat dat twee personen een vennootschapsakte ondertekenen om gestart te zijn. Enkel nog een BTW-nummer aanvragen daarna en je bent aan het ondernemen.

Niet zo verbazend dus dat deze vennootschapsvormen enige populariteit genieten.

 

Risico’s

Nochtans zijn er aan deze vennootschapsvormen ook zeer ernstige risico’s en nadelen verbonden.

Het belangrijkste en grootste risico zit hem in de onbeperkte aansprakelijkheid die elk van de vennoten heeft binnen een maatschap, een gcv of een vof.  Die onbeperkte aansprakelijkheid is een logisch gevolg van het feit dat geen startkapitaal vereist is. Omdat er geen minimumkapitaal vereist is, hebben schuldeisers van de vennootschap geen garantie dat ze hun centen terugzien. Daarom staan de vennoten zelf in voor deze garantie. Zij zijn onbeperkt en dus met hun eigen privévermogen aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap. Dat betekent dat bij eventuele toekomstige financiële moeilijkheden het ganse privévermogen van de vennoten in gevaar is.

Bovendien vereisen alle drie de vennootschapsvormen de aanwezigheid van minstens twee vennoten.  In de gcv moet één van beiden bovendien een “stille” vennoot zijn, die op geen enkel moment op de voorgrond treedt op het risico om mee persoonlijk aansprakelijk te zijn.  Bij de vof is het zelfs zo dat je de facto vast zit aan je vennoot, omdat er zeer strikte overdrachtsbeperkingen gelden waardoor je je aandeel in een vof eigenlijk quasi niet kan overdragen.

 

Voordelen van de overstap naar een bv onder het nieuwe vennootschapsrecht?

Het nieuwe vennootschapsrecht snoeit ernstig in het aantal vennootschapsvormen.  Heel wat vennootschappen verdwijnen. Voor wat betreft de vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid, blijven wel nog de vennootschap onder firma (VOF) en gewone commanditaire vennootschap (Comm.V.) bestaan.  Zij worden een soort van bijzondere vorm van de maatschap. Je hoeft je dus geen zorgen te maken over het voortbestaan van je vennootschap na 1 mei 2019. Er is echter wel nog altijd  onbeperkte aansprakelijkheid tussen de vennoten (behalve bij de commanditaire vennootschap, waar de stille vennoten nog steeds enkel aansprakelijk zijn ten belope van hun inbreng).

Het nieuwe recht brengt echter een hele reeks hervormingen binnen de bv met zich mee die ervoor zorgen dat het misschien voor jou als ondernemer toch interessant wordt om je gcv of vof om te vormen naar een bv.  Het grote voordeel van de bv is immers precies de beperkte aansprakelijkheid van de zaakvoerders en dus het uitsluiten van het risico om met je persoonlijk vermogen te moeten instaan voor de schulden van de vennootschap.

Vroeger wogen de voordelen van een gcv of vof voor velen duidelijk op tegen het nadeel van de onbeperkte aansprakelijkheid, maar in de toekomst zou dit wel eens ernstig kunnen veranderen.  De regels voor de bv veranderen immers fundamenteel en worden veel flexibeler, zodat bijna alle voordelen van een vof of gcv in de toekomst ook gelden voor de bv en bovendien een aantal bijkomende voordelen gecreëerd worden die er misschien voor zorgen dat de keuze voor een bvb in de toekomst evidenter zal zijn dan deze voor een gcv of vof.

  • Geen minimumkapitaal meer vereist.  Net zoals voor de vof en gcv kan in de toekomst ook een bvb opgericht worden of verder leven zonder maatschappelijk minimumkapitaal.  Een van de grote voordelen van de gcv of vof wordt nu met andere woorden doorgetrokken naar de bv. Kanttekening hierbij is weliswaar dat vennootschappen zonder maatschappelijk kapitaal of met slechts een zeer laag maatschappelijk kapitaal het wellicht moeilijk zullen hebben om financiering te vinden.
  • Slechts één vennoot vereist.  Een van de moeilijkheden van een gcv was voor bijvoorbeeld heel wat zelfstandige consultants de noodzaak om een stille vennoot aan boord te nemen.  Meestal was de enige optie om echtgenoot of vader of moeder te vragen om alsjeblieft stille vennoot te zijn, met de mededeling dat dit geen risico met zich mee zou brengen, wat in se ook correct is voor zover de stille vennoot ook altijd stil zou blijven.  Als echter de stille vennoot in kwestie ook maar één enkele beheersdaad zou stellen op een gegeven ogenblik, is de consequentie daarvan dat hij of zij meteen ook persoonlijk en onbeperkt aansprakelijk wordt. Met deze noodzaak om een stille vennoot te vinden wordt in de toekomst komaf gemaakt voor wie een bv kiest in plaats van een gcv of vof, aangezien de nieuwe bv kan opgericht en bestuurd worden door één enkele vennoot.  Ideaal dus voor consultants en eenmanszaken.
  • Ruime vrijheid in het vormgeven van de statuten.  Een van de redenen vroeger om voor een vof te kiezen, was de grote vrijheid in het uitschrijven van de statuten.  Vennoten waren in grote mate vrij om stemrechten en winstverdelingen contractueel onder elkaar te regelen zoals zij dat zelf gepast achtten.  Dezelfde flexibiliteit bestond niet binnen de bvba. Ook hieraan komt de bv in de toekomst tegemoet, aangezien het veel makkelijker wordt om winstverdelingen, stemrechten, voorkooprechten en overdraagbaarheid van aandelen.

 

Opgelet, niet alles wat blinkt is goud…

Op het eerste zicht niets dan voordelen dus bij de overstap van een maatschap, gcv of vof naar een bv, maar schijn bedriegt en waar voordelen zijn, zijn meestal ook nadelen.

De bv brengt natuurlijk een aantal verplichtingen met zich mee die voor de andere vennootschapsvormen niet gelden en die praktische of financiële gevolgen kunnen hebben:

  • de verplichting om een financieel plan (uitgebreider dan voorheen onder de bvba) te hebben bij oprichting
  • de verplichting om een volledige dubbele boekhouding te voeren (al is zulks eigenlijk voor élke ondernemer een feitelijke noodzaak) en een jaarrekening te publiceren
  • de verplichting om statuten op te stellen via de notaris en deze te publiceren in het Belgisch Staatsblad

Een goede belangenafweging in overleg met je boekhouder en advocaat dringt zich met andere woorden op.  Stap je best over naar een bv of pas je je statuten enkel aan aan de lichtjes gewijzigde versie van de vof of gcv, die vraag moet beantwoord worden in functie van de voor- en nadelen in uw concrete situatie, al lijkt de beperkte aansprakelijkheid ons toch in zeer veel gevallen een doorslaggevend argument om voor de overstap naar de bv te kiezen.

 

Praktisch

Wat moet er praktisch gebeuren?  Wel, de wet vraagt dat bij de eerstvolgende statutenwijziging of anders ten laatste op 1 januari 2024 je statuten aangepast worden om in overeenstemming te zijn met de nieuwe wet.

Wie ervoor kiest om van zijn maatschap, gcv of vof een bv te maken heeft daarbij wat (maat-)werk voor de boeg om ervoor te zorgen dat die nieuwe bv precies goed georganiseerd is om te voldoen aan de noden en verwachtingen van jou en je vennoten.  In veel gevallen is het daarbij af te raden om een “standaard template” van bij je notaris te gebruiken. De keuzemogelijkheden binnen de bv worden daarvoor in de toekomst te ruim. Even rustig nadenken over een oplossing op maat is in deze echt aangewezen.

Bovendien is het bij de omvorming van je vennootschap naar een bv wellicht nuttig om meteen te denken aan een aandeelhoudersovereenkomst tussen de vennoten en aan een managementovereenkomst voor de zaakvoerder/bestuurder, best meteen gekoppeld aan een goede aansprakelijkheidsverzekering voor de bestuurder in kwestie.

Sirius Legal kan je vanzelfsprekend op weg helpen.  Je vindt meer info op onze pagina vennootschapsrecht.

 

Vragen over je vennootschap?

We staan graag voor je klaar.  Neem vrijblijvend contact op met Bart Van den Brande of een van de andere leden van ons team op bart@siriuslegal.be of op +32 486 901 931

02.04.2019 Roeland Lembrechts

Nieuwe vennootschapsrecht: beperkte bestuurders­aansprakelijkheid, waarop moet je letten?

In ons blogartikel van 4 maart 2019 kondigden we reeds de geboorte van het nieuwe vennootschapsrecht aan. De krachtlijnen van deze nieuwe vennootschapswetgeving hebben we toen al op een rijtje gezet: minder vennootschapsvormen, de BV als hoeksteen van het nieuwe stelsel, de NV enkel nog voor grote ondernemingen, wijzigingen voor vzw’s en verenigingen én de beperkte aansprakelijkheid voor de vennootschapsbestuurders. Het is deze laatste topic die vele bestuurders zal interesseren, aangezien er de laatste jaren een duidelijke trend bestaat om hen sneller aan te spreken op hun fouten. De wetgever heeft om die reden een aantal wijzigingen en verduidelijkingen doorgevoerd om enerzijds het ondernemersrisico terug aantrekkelijker te maken, maar anderzijds bezorgde aandeelhouders én derden gerust te stellen. Wat moet je voor de toekomst weten?

 

Algemene aansprakelijkheid voor alle soorten bestuurders

Er is nu sprake van een algemene aansprakelijkheidsregeling, geldig voor alle soorten rechtspersonen. Voordien werd deze aansprakelijkheid per vennootschapsvorm onderverdeeld. Ook feitelijke bestuurders, namelijk zij die t.a.v. de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben, zijn op dezelfde manier aansprakelijk als de formeel benoemde bestuurder.

 

Uitbreiding hoofdelijke aansprakelijkheid

Als het bestuursorgaan een college vormt, dan zijn de leden van dat orgaan hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat elk lid persoonlijk volledig moet instaan voor vergoeding van de schade aan de schadelijder. Vormen de verschillende leden geen college, dan nog zijn deze leden hoofdelijk gehouden voor fouten ten gevolge van overtredingen van de bepalingen van het wetboek van vennootschappen of overtredingen van de statuten van de vennootschap.

De hoofdelijkheid bestond reeds voor inbreuken op het wetboek van vennootschappen of de statuten, maar wordt zo uitgebreid naar de aansprakelijkheid wegens loutere bestuursfouten.

De nieuwe bepalingen voorzien wel in een ontsnappingsroute: Een lid kan, indien het geen aandeel heeft in de fout, zich ontheffen van deze hoofdelijke aansprakelijkheid indien hij/zij tijdig melding heeft gemaakt van de beweerde fout aan het collegiaal bestuursorgaan of raad van toezicht.

 

Beperkingen

Op basis van de wet:

De nieuwe regelgeving voorziet in een uitdrukkelijke beperking van de aansprakelijkheid. De maximale bedragen waartoe bestuurders veroordeeld kunnen worden, zijn afhankelijk van verschillende perimeters zoals de gemiddelde omzet op jaarbasis en het balanstotaal.

Het invoeren van deze beperkingen had voor de wetgever verschillende redenen. De maximale bedragen zorgen ervoor dat bestuurders redelijke aansprakelijkheidsverzekeringen kunnen afsluiten. Ook wil men de ongelijkheid wegwerken ten aanzien van (top)managers die als werknemers of via managementvennootschappen van een aansprakelijkheidsbeperking genieten. Tot slot wenst men een oplossing te vinden voor de bestaande ongelijkheden met het buitenland.

Deze aansprakelijkheidsbeperking geldt zowel tegenover derden als tegenover de vennootschap. De maximale bedragen gelden voor alle bedoelde personen samen. Zij gelden per feit of geheel van feiten dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid, ongeacht het aantal eisers of vorderingen.

Let wel: een derde behoudt ten opzichte van de vennootschap zelf wel een vordering voor de volledige schade.

Ook contractueel?

De aansprakelijkheid van een bestuurder kan contractueel niet verder worden beperkt dan hetgeen er wettelijk bepaald is. De rechtspersoon, zijn dochtervennootschappen of de door hem gecontroleerde entiteiten mogen de bestuurder niet vooraf ontlasten of vrijwaren voor zijn aansprakelijkheid ten opzichte van de vennootschap of derden. Dit wil zeggen dat zij op voorhand geen afstand kunnen doen van een aansprakelijkheidsvordering ten opzichte van de bestuurder, maar ook dat deze entiteiten de financiële gevolgen van de aansprakelijkheid van de bestuurder niet op zich kunnen nemen. Op die manier zou de persoonlijke aansprakelijkheidsregeling van de bestuurder al te gemakkelijk omzeild kunnen worden. Elke bepaling in de statuten, in een overeenkomst of een eenzijdige wilsuiting die dat wel doet, wordt als nietig beschouwd. Derden zoals de moedervennootschappen/controlerende entiteiten of aandeelhouders mogen daarentegen bestuurders wel vrijwaren.

 

Uitsluitingen

Laat je echter niet al te hard verleiden door de maximale caps die de nieuwe wetgeving voorziet. De aansprakelijkheidsbeperking geldt immers niet voor:

  • Lichte fout die eerder gewoonlijk, dan toevallig voorkomt
  • Zware fout
  • Bedrieglijk opzet
  • Oogmerk om te schaden (opzettelijke fout)
  • Voor fouten tegen verplichtingen inzake o.a. het geldig inschrijven van aandelen, het volstorten van het kapitaal en de kapitaalsverhoging;
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor fiscale schulden (onder bepaalde voorwaarden)
  • de hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale zekerheidsbijdragen (onder bepaalde voorwaarden)

Een aandachtig lezer merkt meteen dat eigenlijk enkel nog de toevallige lichte fout kan genieten van de beperking. Terecht wordt de vraag gesteld of deze beperking dus in de praktijk ooit effectief toepassing zal vinden en deze beperkingsregeling niet eerder een lege doos is.

 

Insolventie- en burgerlijk recht

Het nieuwe vennootschapsrecht beslaat niet de volledige aansprakelijkheidsregeling.

De bijzondere bestuurdersaansprakelijkheden na faillissement verhuisden reeds van het oude wetboek van vennootschappen naar het wetboek economisch recht. Het gaat daarbij voornamelijk over de aansprakelijkheid voor ‘wrongful trading’ (voortzetten van een reddeloze onderneming) en de faillissementsaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout. De specifieke aansprakelijkheidsregeling onder insolventie gaat voorbij de scope van deze bijdrage, maar er kan wel op gewezen worden dat ook hier belangrijke uitbreidingen zijn doorgevoerd.

Bijkomend moet er op gewezen worden dat er nog gewerkt wordt aan een belangrijke hervorming van het aansprakelijkheidsrecht in het Burgerlijk Wetboek. Het is op dit moment nog onduidelijk welke impact dit zal hebben op de bestuurdersaansprakelijkheid.

 

Wat kan je best doen als bestuurder of aandeelhouder?

Als bestuurder of aandeelhouder is het gelet op deze gewijzigde regeling nog meer aan te raden om op voorhand statuten en bestuurdersovereenkomsten te laten nakijken en aan een update te onderwerpen.

Daarbij kan het onder meer over volgende zaken gaan:

  • Zorg in statuten, bestuurdersovereenkomsten, managementovereenkomst, etc. altijd dat de opdracht van de bestuurder duidelijk omschreven is. De aansprakelijkheid van de (feitelijke en wettelijke) bestuurder is ten aanzien van de vennootschap van contractuele aard zodat voorafgaand zowel de omschrijving van de opdracht als de definitie van onderscheiden fouten en de daaraan gekoppelde gevolgen best zo duidelijk mogelijk uitgeschreven worden.
  • De wettelijke maxima van de aansprakelijkheidsbeperking kan niet verder beperkt worden, maar er kan wel verduidelijking gebracht worden op basis van bewijsclausules, overmachtsclausules, etc.
  • Bepaal in het geval van meerdere bestuurders hoe de hoofdelijke aansprakelijkheid zich tussen de verschillende bestuurders verhoudt.
  • Indien je statuten of een overeenkomst voorgeschoteld krijgt, laat dan steeds nakijken of eventuele voorgehouden beperkingen van aansprakelijkheden wel correct zijn. Men zou je een rad voor ogen kunnen draaien door je onwettige beperkingen of vrijwaringen in een overeenkomst voor te schotelen.
  • Wanneer je als bestuurder geconfronteerd wordt met een discussie over bepaalde beslissingen, laat dan steeds duidelijk schriftelijk noteren of geef per aangetekende zending de andere bestuurders duidelijk ter kennis, dat je een beslissing als foutief bestempelt. Zo kan je aan de hoofdelijke aansprakelijkheid ontsnappen.

Als je je toch door een derde wenst te laten vrijwaren, kijk dan zeker na of de betrokken (rechts-) persoon je wettelijk ook effectief kan vrijwaren.

Heb je meer vragen over je aansprakelijkheid onder het vernieuwde vennootschapsrecht, neem dan gerust contact op met Roeland via roeland@siriuslegal.be.

04.03.2019 Bart Van den Brande

Het nieuwe vennootschapsrecht hervormt de gehele werking van je vennootschap vanaf mei 2019

Le nouveau droit des sociétés est arrivé…  

Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad de voorbije jaren en even zag het ernaar uit dat een finale tekst niet meer voor 2019 zou zijn, maar enigszins bij verrassing is afgelopen vrijdag, 28 februari toch uiteindelijk het wetsontwerp betreffende het nieuwe vennootschapsrecht en verenigingsrecht goedgekeurd.

De nieuwe wet hervormt het bestaande vennootschapsrecht op de meest ingrijpende wijze sinds Napoleon ons het Burgerlijk Wetboek schonk begin 19de eeuw.   Meer flexibiliteit en meer concurrentievermogen zijn de uitgangspunten, die moeten leiden tot méér starters en vooral ook méér buitenlandse investeerders in België.

 

We maken hieronder een eerste samenvatting van de belangrijkste wijzigingen van het nieuwe vennootschapsrecht.

 

Minder vennootschapsvormen

In de nieuwe vennootschapswet blijven 7 hoofdtypen van ondernemingen met rechtspersoonlijkheid bestaan. De nv, de bv (ter vervanging van de bvba), de cv (coöperatieve vennootschap) zijn hiervan de drie belangrijkste.  

De bv moet de standaard vennootschapsvorm in het Belgische ondernemingsrecht worden. De nv zal enkel bedoeld zijn voor vennootschappen die een publiek beroep op het spaarwezen doen (aandelen uitgeven) en de cv wordt in de toekomst beperkt tot echt coöperatieve samenwerkingsverbanden, zoals bijvoorbeeld coöperatieve melkbedrijven of fruitveilingen.  Dat betekent dat heel wat bestaande cv’s zullen moeten omgevormd worden naar een nieuwe bv.

Daarnaast blijven ook 4 minder gangbare vennootschapsvormen bestaan: “de maatschap” (de huidige vennootschap onder firma of vof), de “comm v” (commanditaire vennootschap), de “se” of Europese vennootschap en de “sce” of Europese coöperatieve vennootschap (SCE).

Andere vennootschapsvormen die momenteel vaak worden gebruikt, zoals de commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.VA/SCA) en de tijdelijke handelsvennootschap (société momentanée) verdwijnen. De flexibiliteit die wordt geboden aan de interne organisatie van de bv, de nv en de cv moet het echter mogelijk maken om de belangrijkste kenmerken van deze afgeschafte vennootschapsvormen te behouden binnen één van de drie overblijvende vennootschapsvormen.

 

De bv als hoeksteen van het nieuwe stelsel

De vervanging van de bvba door de bv is zowat de hoeksteen van het nieuwe vennootschapsrecht. De bedoeling is om van de bv de ‘default’ vennootschapsvorm te maken.

Om dat mogelijk te maken heeft men ervoor gezorgd dat er maximale vrijheid en flexibiliteit gecreëerd wordt voor de organisatie van het bestuur, de financiering en de winstverdeling:

  • Het is vanaf nu mogelijk dat een bv slechts één aandeelhouder heeft (dat kan een andere rechtspersoon zijn). Die enige aandeelhouder-rechtspersoon is daarbij niet hoofdelijk aansprakelijk voor verplichtingen en aansprakelijkheden van de bv.
  • De bv hoeft niet langer een minimumkapitaal te hebben (al zal dat de facto wel nodig zijn voor wie financiering wil bekomen bij zijn of haar bank, zoals de vroegere starters-bvba destijds al heeft geleerd…)
  • Dividenduitkeringen zullen op elk moment mogelijk zijn (maar zijn altijd onderworpen aan een nettovermogenswaarde-test en een liquiditeitstest)
  • Er komt maximale flexibiliteit bij de organisatie van stemrechten op aandelen (aandelen zonder stemrecht, aandelen met meerdere stemrechten, …). Dit kan overigens aanzienlijke fiscale gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor wat betreft de deelnemingsvrijstelling op ontvangen dividenden. Het Wetboek Inkomstenbelastingen zal met het oog hierop nog aangepast moeten worden en een wetsontwerp hiervoor ligt op dit ogenblik bij het parlement.
  • De overdraagbaarheid van de aandelen van een bv kan vrij worden bepaald in de statuten en de vroegere beperkingen op de overdraagbaarheid van aandelen binnen de oude bvba vallen dus volledig weg. Dit vergt de nodige aandacht bij het omvormen van uw bvba naar een bv om onverwachte verkopen van aandelen door mede-vennoten te voorkomen…

 

De nv is in de toekomst bedoeld voor grote ondernemingen

Het gebruik van de nv zou in de toekomst de uitzondering op de regel moeten worden en zou beperkt moeten zijn tot grote ondernemingen en beursgenoteerde ondernemingen. De nv zal daarom niet dezelfde mate van flexibiliteit hebben als de bv.

Dit zijn enkele belangrijke veranderingen in vergelijking met de oude nv:

  • De mogelijkheid voor een nv om slechts één aandeelhouder te hebben zonder dat die aandeelhouder hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen en aansprakelijkheden van de nv
  • De introductie van een grote mate van flexibiliteit met betrekking tot het bestuur van een nv.  De nv zal de keuze hebben om te kiezen voor een drietal bestuursvormen:
    • één enige bestuurder
    • een raad van bestuur bestaande uit meerdere bestuurders zoals we die vandaag kennen
    • een dualistisch systeem met enerzijds een raad van bestuur of directiecomité en anderzijds een raad van toezicht die toezicht houdt op de raad van bestuur
  • De ‘ad nutum’-regel die ervoor zorgt dat een bestuurder op elk ogenblik ontslagen kan worden zal niet langer van openbare orde zijn en het wordt dus mogelijk om opzegtermijnen en/of opzegvergoedingen te voorzien bij beëindiging van een bestuurdersmandaat
  • Het wordt mogelijk om aandelen met meerdere stemrechten uit te geven. Voor beursgenoteerde ondernemingen is deze flexibiliteit beperkt tot een ‘dubbel stemrecht’ voor aandeelhouders die hun aandelen gedurende ten minste twee jaar in bezit hebben gehad

 

Beperkte aansprakelijkheid voor alle vennootschapsbestuurders

Voor vennootschapsbestuurders (en feitelijke bestuurders) geldt in de toekomst een aansprakelijkheidslimiet voor de verplichtingen die ze aangaan in het kader van hun mandaat. De nieuwe wet voorziet in drempelbedragen, variërend tussen 125.000 euro en 12 miljoen euro, afhankelijk van de omvang en activiteiten van het bedrijf. Deze limieten gelden op geaggregeerde basis voor alle bestuurders van het bedrijf samen.  De drempels gelden niet bij herhaalde kleine nalatigheid, bij grove nalatigheid en zware fout en in geval van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.

De Raad van State heeft overigens grote bedenkingen bij de grondwettelijkheid van bovenstaande en het is niet uitgesloten dat een en ander binnenkort nog juridisch aangevochten zal worden.

Voor de volledigheid voegen we nog even toe dat het verboden is voor de vennootschap om ten voordele van haar bestuurders een vrijwaringsverplichting of schadeloosstellingsgarantie op te nemen, waardoor de bestuurder de facto geen aansprakelijkheid meer zou kunnen oplopen. De bestuurder kan zich vanzelfsprekend wel verzekeren voor de risico’s verbonden aan zijn mandaat.

 

Ook wijzigingen voor VZW’s en verenigingen

De nieuwe vennootschapswet zal niet alleen van toepassing zijn op Belgische handelsvennootschappen, maar ook op non-profit organisaties en vzw’s. Bijgevolg zal de huidige vzw-wet van 27 juni 1921 ingetrokken worden.

Het verschil tussen een handelsvennootschap en een vzw ligt niet langer in de vraag of ze winst mogen maken, zoals vroeger het geval was, maar wel in de vraag of die winst uitgekeerd mag worden aan de aandeelhouders.  Een vzw mag dus in de toekomst onbeperkt winst maken, maar mag de gemaakte winst niet uitkeren, ook niet indirect door bijvoorbeeld een onevenredige verloning van de leden.

 

Territoriale werking van de nieuwe vennootschapswetgeving

De nieuwe vennootschapswet is van toepassing op elk bedrijf met statutaire zetel in België. Hierdoor kan België het eigen vennootschapsrecht in het buitenland toepassen en kunnen buitenlandse bedrijven kiezen voor een Belgische rechtsvorm door hun statutaire zetel in België te vestigen, zonder de noodzaak om zaken te doen op het Belgische grondgebied.

 

Timing…

De nieuwe vennootschapswet zal van kracht zijn vanaf 1 mei 2019. Vennootschappen die vanaf die datum zijn opgericht, zijn onderworpen aan de nieuwe vennootschapswet.

Bestaande bedrijven zullen vanaf 1 januari 2020 onderworpen zijn aan de nieuwe vennootschapswet. Ze zullen hun statuten moeten aanpassen aan de nieuwe vennootschapswet naar aanleiding van de eerste (andere) wijziging van hun statuten na 1 januari 2020 of in elk geval uiterlijk op 1 januari 2024.

Bestaande bedrijven kunnen echter ook kiezen voor ‘opt-in’ en ervoor kiezen de nieuwe vennootschapswet vóór 1 januari 2020 toe te passen.

De afgeschafte vennootschapsvormen moeten uiterlijk op 1 januari 2024 worden geconverteerd naar een bv, nv of cv, anders gebeurt dit automatisch naar de meest gerede vennootschapsvorm, afhankelijk van de bestaande vennootschapsstructuur.

 

Wat moet u concreet doen?

Bestaande vennootschappen kunnen best zo snel mogelijk nadenken over:

  • de meest gepaste vennootschapsvorm voor hun activiteiten in de toekomst (in se bv, nv of cv)
  • de toekomstige organisatie van hun aandeelhoudersstructuur (meervoudig stemrecht, verschillende categorieën van aandelen, …)
  • de overdraagbaarheid van aandelen, met name in bv’s waar de regels plots veel soepeler worden en de vroegere “bescherming” tegen plots verdwijnende vennoten dus weg dreigt te vallen
  • de organisatie van het bestuur in de toekomst (hoeveel bestuurders, raad van toezicht of niet, taken van elkeen, ….)
  • de eventuele ontslagregeling van bestuurders in de toekomst (opzegtermijnen- en vergoedingen)

In functie hiervan dringt een tijdige aanpassing zich op van:

  • statuten
  • aandeelhoudersovereenkomsten
  • management- en bestuurdersovereenkomsten

Laat een en ander niet aanslepen.  De default regelingen onder de nieuwe wet zijn érg liberaal opgevat en kunnen als puntje bij paaltje komt en bij gebrek aan duidelijke contractuele en statutaire afspraken intern voor érg onaangename verrassingen zorgen!

Vragen over het nieuwe vennootschapsrecht?

Ons team staat graag tot ter beschikking.  Neem gerust vrijblijvend contact op met Bart Van den Brande op bart@siriuslegal.be of op 0032/486 901 931.

07.09.2018 Bart Van den Brande

De nieuwe wetgeving voor vennootschappen: wanneer treedt deze in werking?

De nieuwe wetgeving voor vennootschappen: wanneer treedt deze in werking?

Over het aankomend nieuw vennootschapsrecht wordt veel geschreven. Talrijke websites kondigen de nieuwigheden aan. Maar wanneer is de nieuwe wetgeving van toepassing?

 

Nieuwe wetgeving?

We moeten ons niet vergalopperen. Er is heden  – eind september 2018 – nog geen nieuw vennootschapsrecht. Er is enkel een wetsontwerp (van 04.06.2018). Dit wetsontwerp dient nog een definitieve wet te worden en de inhoud kan in principe nog worden gewijzigd.

 

Inwerkingtreding?

De bedoeling was dat de nieuwe wetgeving van toepassing zou zijn vanaf 01.01.2019. Deze datum zal waarschijnlijk niet worden gehaald. Het is realistischer te voorzien dat de inwerkingtreding zal gebeuren ergens in het voorjaar van 2019.

 

De inwerkingtreding voor nieuwe vennootschappen

Vennootschappen die opgericht worden na de inwerkingtreding van de nieuwe wet dienen volledig conform te zijn aan deze nieuwe wet. Dit houdt onder meer in dat geen Comm Va, evba, sbvba, LV,… meer kan worden opgericht. De nu nog bestaande wet verdwijnt helemaal.

 

De inwerkingtreding voor bestaande vennootschappen

Vennootschappen die reeds bestaan op de dag van de inwerkingtreding van de nieuwe wet vallen pas onder de nieuwe regels vanaf 01.01.2020. De oude regels blijven dus nog een tijd op hen van toepassing.

Zij kunnen er evenwel voor kiezen om toch vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet onderworpen te zijn aan de nieuwe regels (opt-in). Op deze manier kan men genieten van de voordelen die de nieuwe wet biedt. Deze beslissing vergt een statutenwijziging.

Vanaf  een statutenwijziging wordt doorgevoerd (voor wat dan ook) zijn zij evenwel verplicht de statuten aan de nieuwe wet aan te passen. Dit dient sowieso uiterlijk op 01.01.2024 te gebeuren. De sanctie bestaat uit een aansprakelijkheid voor de bestuurders indien deze verplichting niet wordt nageleefd.

Statuten die tegenstrijdig zijn met de nieuwe wet worden voor niet geschreven beschouwd vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet. De dwingende bepalingen van de nieuwe wet zullen vanaf de inwerkingtreding (01.01.2020) steeds van toepassing zijn.

 

Concrete voordelen van de nieuwe wetgeving

De nieuwe wetgeving voorziet in significante wijzigingen die u of uw vennootschap voordelen kunnen opleveren. Door te opteren voor de snellere toepassing van de nieuwe wetgeving (opt-in) kan u hiervan sneller de vruchten plukken.

Vooral aan de BV – die de meest voorkomende vennootschap zal worden – kent de wetgever heel wat mogelijkeden toe om deze te modulleren aan uw wensen.

Sirius Legal bestudeert en volgt de nieuwe reglementering nauw op en distilleert alle mogelijke voordelen die u en uw vennootschap kunnen genieten.

Wij lichten u deze graag toe. U kan ons steeds contacteren op info@siriuslegal.be

 

Onze expertise voor vennootschappen


Contracten en commerciële relaties

Slechte contracten zijn een voedingsbodem voor dure procedures met een onzeker resultaat. De opmaak van goede contacten is in vergelijking met een procedure veel voordeliger. Het schept gemoedsrust, dat wil toch elke professional? 


Distributie en licenties

Hulp nodig bij de opzet en uitbreiding van je distributienetwerk of partnerships in binnen- en buitenland? Wij kunnen je wereldwijd bijstaan dankzij onze partnerships met internationale advocatennetwerken. 


Geschillen en procedure

Vind je maar geen oplossing voor dat geschil? Overweeg je een procedure te starten? Wij analyseren samen met jou de mogelijkheden en slaagkansen. 


Internationale samenwerkingen

Op zoek naar juridisch advies voor jouw business aan de andere kant van de wereld? Dankzij onze internationale contacten via partnernetwerken zoals Consulegis en Eurolegal kunnen wij je snel helpen. 


Vennootschappen

Een nieuwe vennootschap oprichten of je vennootschap aanpassen aan het nieuwe vennootschapsrecht? Staan er nieuwe aandeelhouders voor je deur? Wij zorgen voor stevige fundamenten van je vennootschap.

Vragen over (het nieuwe) vennootschapsrecht? Contacteer ons gerust!