Vlucht vertraagd? Het Europees Hof van Justitie verduidelijkt wanneer passagiers recht hebben op een schadevergoeding.

Iedereen in de reissector kent inmiddels de gevolgen van het Sturgeon arrest, waarbij de schadevergoedingen voor passagiers bij geannuleerde vluchten uitgebreid werd naar alle vluchten met een vertraging van meer dan drie uur. De financiële gevolgen ervan voor airlines zijn aanzienlijk en met een nieuwe Europese verordening in het vooruitzicht die de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie naar alle waarschijnlijkheid zal gaan institutionaliseren, zijn deze passagiersrechten duidelijke here to stay.

Bedragen waarop reizigers recht hebben

Dat passagiers recht hebben op een schadevergoeding bij vertraging van hun vlucht is met andere woorden en onontkoombare realiteit voor de sector. Voor de goede orde, herhalen we daarbij nog even dat de schadevergoedingen waarop passagiers recht hebben:

  • 250 euro per passagier bedraagt voor alle vluchten tot en met 1.500 km,
  • 400 euro per persoon voor vluchten van meer dan 1.500 km binnen de Europese Unie en voor alle andere vluchten tussen 1.500 en 3.500 km en
  • 600 euro voor alle andere vluchten (i.e. vluchten van meer dan 3.500 km met vertrek of aankomst buiten de Europese Unie).

Wat is overmacht?

Wat wél nog steeds aanleiding geeft tot heel wat discussie is enerzijds de vraag in welke gevallen luchtvaartmaatschappijen zich kunnen beroepen op overmacht en anderzijds hoe de duurtijd van de vertraging precies berekend moet worden.

Voor de eerste vraag is er de voorbije jaren al wat Europese rechtspraak gekomen die verduidelijkt dat van overmacht sprake is als er sprake is van “buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden”. wat daar precies wel en niet onder begrepen moet worden, is evenwel nog niet altijd even duidelijk.

Hoe berekent men de vertraging?

De tweede vraag werd enkele dagen geleden door het Europees Hof van Justitie verduidelijkt in een geschil tussen Germanwings GmbH en de heer Ronny Henning (arrest nr. C-452/13 van 4 september 2014).

Het Hof oordeelde dat de vertraging van een vlucht van de luchtvaartmaatschappij Germanwings van Salzburg naar Keulen/Bonn berekend moet worden vanaf de aangegeven vertrektijd tot en met het ogenblik waarop minstens één van de deuren opent na de landing.

Terwijl het betrokken toestel met 3.10 uur vertraging vertrok, raakten de wielen van het toestel het asfalt van de landingsbaan van de luchthaven Keulen/Bonn met 2.58 uur vertraging. Het vliegtuig bereikte zijn aankomststandplaats met 3.03 uur vertraging. De deuren openden kort nadien.

Volgens een van de passagiers was de eindbestemming meer dan drie uur later dan gepland bereikt zodat hij volgens het Sturgeon arrest recht had op een compensatie van 250 euro. Volgens Germanwings was de daadwerkelijke aankomsttijd het tijdstip waarop de wielen van het toestel het asfalt van de luchthaven Keulen/Bonn raakten, zodat het toestel slechts 2.58 uur later dan gepland was aangekomen en geen compensatie was verschuldigd.

Het Hof oordeelt nu dus in zijn arrest van vandaag dat het begrip „daadwerkelijke aankomsttijd” moet worden opgevat als het tijdstip waarop de passagier vrij over zijn tijd kan beschikken of, met andere woorden, het vliegtuig kan verlaten.

Hiermee is alvast één discussiepunt in deze materie weggewerkt en is het voor zowel passagiers als airlines meteen duidelijk hoe de duur van een vertraging precies berekend moet worden. Die bijkomende duidelijkheid is ons inziens in het belang van alle betrokkenen. Het vermijdt immers lange en nodeloze discussies en gerechtelijke procedures en kan op die manier zorgen voor eden snellere vergoeding van reizigers met minder nodeloze bijkomend kosten voor de airlines in geval van betwisting.

Meer weten over consumentenrecht en reisrecht? Contacteer de auteur via de link naast dit artikel.

Dit artikel verscheen eerder op www.travel360.be