Europees Hof van Justitie verduidelijkt de rol van het Directoraat-Generaal voor de Luchtvaart bij compensatieregeling onder Verordening 261/2004

shutterstock_140088655Het Europees Hof van Justitie heeft zich op 17 maart 2016 in 2 arresten (C-145/15; C-146/15) opnieuw uitgesproken over de toepassing van Verordening 261/2004 die voorziet in een compensatieregeling voor luchtvaartpassagiers die worden geconfronteerd met een annulering of vertraging van hun vlucht. 

Dit keer werd artikel 16 van de Verordening onder loep genomen, dat bepaalt dat elke Lidstaat “een instantie moet aanwijzen die verantwoordelijk is voor de handhaving van de verordening”. Op basis van dit artikel, moet een passagier bovendien de mogelijkheid hebben om een klacht in te dienen bij deze instantie aangaande een vermeende overtreding van de verordening (bv. wanneer de luchtvaartmaatschappij geen bijstand voorziet). Tot slot bepaalt dit artikel dat de door de Lidstaat vastgestelde sancties voor overtreding van deze verordening “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” zijn.

In Nederland werd de Staatssecretaris Infrastructuur en Luchtvaart aangeduid als bevoegde instantie onder de Verordening. In België is dit het Directoraat-Generaal voor de Luchtvaart.

Het Europees Hof van Justitie heeft in deze arresten bepaald dat de handhavende instantie die door de Lidstaten moet worden aangeduid, nl. het DGLV in België en de Staatssecretaris Infrastructuur en Milieu in Nederland, enkel bevoegd is om de algemene naleving van de Verordening door de luchtvaartmaatschappijen na te gaan en deze daarvoor te sanctioneren.

Meer in het bijzonder stelde het Hof dat de klachten van passagiers over de toepassing van de Verordening bij deze instanties, veeleer dienen beschouwd te worden als signaleringen die worden geacht bij te dragen tot de juiste toepassing van deze Verordening in het algemeen, zonder dat aan deze instanties een verplichting is opgelegd om naar aanleiding van dergelijke klachten op te treden teneinde het recht op compensatie van elke individuele passagier te waarborgen.

Met andere woorden, het Directoraat-Generaal voor de Luchtvaart in België of de Staatssecretaris voor Infrastructuur en Milieu in Nederland is niet verplicht om handhavend op te treden tegen een luchtvaartmaatschappij wanneer deze weigert om compensatie te betalen aan een passagier die hier recht op heeft op basis van Verordening 26/2004. De betrokken passagier zal zich dus tot de (burgerlijke) rechter moeten wenden teneinde schadevergoeding te bekomen.

De volledige tekst van het arrest is hier te vinden via volgende link.